Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze leer der metempsychose behoort dan. ook niet in dezen loens thuis, maar komt later bij de leer der laatste dingen ter sprake. Dit is ook het geval met die andere beteekenis van het woord wedergeboorte, welke o. a. in Mt. 19 : 28 voorkomt. De wereldvernieuwing kan zeer zeker met den naam van wedergeboorte worden aangeduid, en staat ook met de geestelijke, inwendige wedergeboorte in nauw verband. Maar ze is er toch van onderscheiden; komt niet hier, maar later in de eschatologie aan de orde; en ligt ook naar het gewone spraakgebruik in het woord wedergeboorte niet meer opgesloten.

Voorts spraken de Grieken van den ingewijde in de mysteriƫn soms als van een wedergeborene, en de Joden duidden op soortgelijke wijze de proselieten aan. Dit spraakgebruik schijnt ook door de Christelijke schrijvers nagevolgd te zijn, als zij meermalen den overgang tot het Christendom en dan bepaaldelijk den doop, waarin die overgang voor allen zichtbaar werd, met den naam van wedergeboorte bestempelden 1). Het is daarbij niet uit te maken, in hoever bij dit woord ook aan eene innerlijke vernieuwing des harten gedacht werd. In den eersten tijd gingen teeken en beteekende zaak steeds saam en werden deze nog niet zoo duidelijk als later onderscheiden. In elk geval sloot de inwendige verandering ook vanzelf een uitwendigen, zichtbaren omkeer in, een verlaten van Joden- of Heidendom, en een door den doop zich voegen bij de Christelijke gemeente. Zulk eene objectieve beteekenis wordt nog wel eens aan de wedergeboorte gehecht; bisschop Waterland zeide bijv. dat regeneratie niet was a change of mind, maar a change of stand, zoodat ook Simon Magus wedergeboren kon heeten, ofschoon hij bleef in een gansch bittere gal en samenknooping der ongerechtigheid 2); en ook Ritschl sprak van een Stand der Wiedergeburt 3).

Daaraan verwant is de opvatting der wedergeboorte bij hen, die den wil des menschen door de zonde in het geheel niet bedorven, of slechts verzwakt achten. Er is dan, gelijk bij Pelagius, volstrekt geene inwendige genade, of, als bij de Semipelagianen, slechts eene helpende, medewerkende genade van noode. En de wedergeboorte behoeft dienovereenkomstig ook niet in eene vernieuwing van de

') Suicerus, Thes. Eccl. s. v. dvaytw^ffic.

2) Bij Hodge, Syet. Theol. III 597, verg. bl. 5.29.

3) Ritschl, Rechtf. u. Vers. IIP 557.

Gcref. Dogmatiek IV. 4

Sluiten