Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Er wordt hierbij echter over het hoofd gezien, dat Luther en zijne volgelingen over de wedergeboorte toch dikwerf ook spreken in een anderen zin en haar van de rechtvaardigmaking onderscheiden. Dan is ze maar niet een tengevolge van het gelooven intredende opbeuring en vernieuwing van het bewustzijn, doch bepaaldelijk ook eene aan het geloof voorafgaande instorting van geestelijke krachten. Zoo spraken de Roomschen van eene gratia infusa '), de Luthersche theologen van spiritualis vitae donatio, virium credendi fideique salvificae largitio, of mentis nostrae illuminatio et fidueia& in corde nostro excitatio2); en de Gereformeerden drukten zich ongeveer op dezelfde wijze uit. Maar zij legden er nog sterker nadruk op, dat niet de daden en zelfs niet de vermogens alleen, maar de gansche mensch met al zijne vermogens, met ziel en lichaam, met verstand, hart en wil het subjectum regenerationiswas; en dat deze dus in twee deelen bestond, in afsterving van den ouden mensch, die niet maar onderdrukt, doch gedood werd,, en in opstanding van een ganschen nieuwen mensch, die naar God geschapen werd in ware gerechtigheid en heiligheid 3).

Maar ook deze gedachte over de wedergeboorte kwam velen voor, nog niet diep genoeg te gaan. Volgens het Gnosticisme bestond de ware verlossing in de bevrijding van den inwendigen mensch uit de banden der stof. Het lichaam is vanwege zijne verderfelijkheid voor geene verlossing vatbaar, en ook de ziel, die ten nauwste met het lichaam verbonden is, kan van haar vele gebreken niet worden gereinigd. De verlossing heeft dus uitsluitend betrekking op het pneuma en wordt door den mensch verkregen, ten eerste in den weg der kennis, maar ten tweede ook door middel van de mysteriën, waaronder vooral de drieërlei doop met water,

Ileehtfertigung und Wiedergeburt. Gütersloh 1907. Althans, Die Heilsbedeutung der Taufe im N. Test. 1897. Steinmetz, Zusammenhang v. Taufe u. Wiedergeburt, Neue kirchl. Zeits. 1902. Wacker, Wiedergeburt und Bekehrung 1893. Verg. Paul Rutz, Taufe und Wiedergeburt mit bes. Beriicks. der Kindertaufe, Neue kirchl. Zeits. 1901 bl. 585—620. O. Scheel, Die Dogm. Behandlung der Tauflehre in der modernen positiven Theol. Tiibingen 1906.

1) Verg. deel III bl. 584 en boven bl. 29.

2) Schmid, Dogm. der ev. luth. Kirche bl. 340—342.

3) Cahijn, Inst. III 3, 5. Polanus, Synt. Theol. bl. 466 v. Voetius, Disp. II 432 v. Maccovius, Loei Comin. bl. 750 v. Mastricht, Theol. \ I 3, 6—18. 1 \alaeus, Synopsis pur. theol. XXXII 13, 18, 19. Witsius, Oec. foed. III 6, 4. TJe Moor» Comm. IV 781 enz. Verg. ook Can. Dordr. III, IV 11.

Sluiten