Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dusver heerschende voorstellingen en begeerten verdreven, en aan oen nieuwe wereld van god acht tui en idealen het aanzijn gaven; de wedergeboorte bestond dan wezenlijk in eene transformatie van het bewustzijn. Maar anderen achten deze verklaring onbevredigend, omdat zij niet zoozeer door de feiten weersproken wordt, als wel aan de religieuze verschijnselen al hun waarheid en waarde ontnemen zou; vandaar dat zij in deze verschijnselen, en bepaaldelijk dan in de bekeering, de werking van een objectieven, supranatureelen factor onderstellen, die wel niet den vorm, maar toch den inhoud garandeert ; ieder vertolkt immers de ervaring, welke hem te beurt valt, op zijn eigene wijze, in zijn eigen taal en voorstellingen; maar die ervaring zelve berust op een contact, op eene verbinding met die hoogste realiteit, welke wij God noemen; en uit die verbinding vloeit den mensch nieuwe kracht, een nieuw, breeder, rijker leven toe; hij voelt zich één met dat Wezen, dat in heel het universum werkt en dat hemzelf en heel de wereld behoudt.

Beide opvattingen en verklaringen van de wedergeboorte (bekeering) schijnen nieuw en oorspronkelijk te zijn, maar ze herinneren aan die, welke er alle eeuwen door van gegeven zijn, in het rationalisme ter eener, en in het mysticisme ter anderer zijde. De eerste is meer deïstisch, de andere meer pantheïstisch; gene verklaart alles uit de werking van het woord, deze gaat achter het woord tot den Geest terug; daar draagt de wedergeboorte een louter zedelijk karakter, hier is zij de openbaring van eene supranatureele kracht. Maar beide wijzen ook de ernstige gebreken aan, waaraan de psychologie der religie lijdt. Als zij naar haar oorspronkelijk voornemen gansch onbevooroordeeld wil zijn en door geene enkele apriorische overtuiging zich wil laten leiden, kan zij, althans tot zekere hoogte, de godsdienstige verschijnselen wel waarnemen en beschrijven, maar zij dringt tot hunne innerlijke natuur niet door en kan zich, bij het missen van eiken norm, over hunne waarheid en waarde hoegenaamd niet uitspreken; zij blijft verlegen en machteloos voor de waarheidsvraag staan; zij heldert misschien psychologisch veel op, maar heeft logisch geen antwoord. Daar zij met zulk een negatieve uitkomst niet tevreden kan zijn, wijl het elke wetenschap ten slotte om de waarheid te doen is, komt zij bij haar onderzoek reeds zeer spoedig met haar eerst aanvaarde onbevooroordeeldheid in tegenspraak, beziet de verschijnselen onder het licht van bepaalde, godsdienstige of wijsgeerige overtuigingen, en tracht eene verklaring te geven, die met behulp van deze vrij subjectieve en willekeurige premissen

Sluiten