Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(leze richting zijn er wel, die niet alleen van het woord des Evangelies, het beeld van Jezus in de Evangeliën l) enz., maar ook daarnaast van den Geest en van zijn werkzaamheid spreken, en deze in zekeren zin zelfs aan het woord laten vooraf gaan; maar zij denken bij dien Geest dan aan den heiligen gemeenschapsgeest, die in de geloovigen te zamen woont2), of aan de objectieve goddelijke kracht (Potenz), waarin God zich mededeelt 3), of aan de levensrichting en levensmacht, die van Jezus1 persoon en werk, evenals van andere groote mannen, is uitgegaan en in de geschiedenis voortwerkt4); maarzij gelooven niet meer in den Heiligen Geest, gelijk die met den Vader ■en den Zoon deszelfden Goddelijken wezens deelachtig en toch als persoon van hen onderscheiden is B), en houden dus voor eene bijzondere, Goddelijke werkzaamheid in de wedergeboorte geene plaats meer over. De Christelijke kerk heeft echter steeds, en te krachtiger, naarmate ze meer inzicht kreeg in de persoonlijkheid en Godheid des H. Geestes, eene bijzondere, Goddelijke werkzaamheid in de wedergeboorte aangenomen; evenals zij omgekeerd, naarmate zij vaster overtuigd werd van de noodzakelijkheid der gratia interna, met te meer beslistheid en vreugde de persoonlijkheid en Godheid des Heiligen Geestes beleed 6). Het een staat met het ander in onlosmakelijk verband; als God drieëenig is, moet er, behalve een werk des Vaders in de schepping en een werk des Zoons in de verlossing, ook een bijzonder, Goddelijk werk des Heiligen Geestes in de heiligmaking zijn. De Christelijke kerk, die staat op den grondslag van het trinitarisch dogma, beleed dus eenparig eene gratia infusa. Terwijl echter Roomschen en Lutherschen deze instorting der genade (de wedergeboorte) bij de kinderkens bonden aan den doop, hebben de Gereformeerden bij het licht der Schrift

') Aldus vooral Herrmann, Der Verkehr bl. 45 v. Op bl. 147 zegt hij: Deshalb mussen wir den Gedanken, dass Gott der einzelnen Seele naher kommen könne als dadurch, dass er sich in Christus finden lasst, ganzlich abweisen. Aan eene werking van Gods Geest in den mensch bestaat op dit standpunt geene behoefte. Verg. Nösgen, Der Heilige Geist. Sein Wesen und die Art seines Wirkens. Berlin 1905 bl. 189—194.

8) Schleiermacher, Chr. Gl. § 123 v. § 170 v.

') F. A. B. Nitzsch, Ev. Dogm. bl. 439.

*) Reischlc, Christl. Gl. bl. 105 v. Kim, Ev. Dogm. bl. 105. Schultz, Ev. Dogm. bh 91, 103.

6) Reischle bijv. spreekt van Vader, Zoon en Geest als van drie zijden of j> Wirkungsweisen" Gods, t. a. p. bl. 54.

«) Verg. deel II 320 v.

Sluiten