Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kwamen er tegen op, dat de verdeeling der roeping in eene uiten inwendige eene divisio generis in species zou zijn en beschouwden haar als eene divisio integri in partes ac membra sua 1). Zooals zij zich hiermede keerden tegen de Anabaptisten enz., namen zij andererzijds tegenover de Pelagianen van alle gading deze positie in, dat de uitwendige roeping en zedelijke aanrading door het woord onvoldoende was tot zaligheid, maar door eene gansch bijzondere werking des Heiligen Geestes in het hart des menschen gevolgd moest worden 2). Deze werking werd in de eerste plaats eene onmiddellijke genoemd. Met deze uitdrukking wierp men echter niet omver, wat men eerst over het verband van uit- en inwendige roeping gesteld had, maar bepaalde men zijn standpunt tegenover tweeërlei richting. Ten eerste tegenover de Remonstranten, die de werking van Gods Geest voor eene louter zedelijke hielden, d. w. z., voor zulk eene, wier vrucht van 's menschen toestemming en inwilliging afhankelijk was. Tusschen de werkzaamheid Gods en de uitwerking daarvan in het hart van den mensch (dat is de wedergeboorte) kwam dus de vrije wil des menschen in te staan. En daartegenover zeiden de Gereformeerden, dat de werking van Gods Geest in de wedergeboorte onmiddellijk was, dat Gods Geest m. a. w. zelf rechtstreeks in het hart des menschen binnendrong en daar onfeilbaar zeker, zonder eenigszins van den wil des menschen afhankelijk te zijn, de wedergeboorte tot stand bracht. En ten andere kozen zij met den term: onmiddellijk, partij tegenover Camero en de Saumursche theologen, die in de wedergeboorte de verlichting des verstands genoegzaam achtten en meenden, dat dit verlichte verstand dan verder zoo op den wil inwerkt, dat deze krachtens zijn aard noodwendig volgen moest. Hier was dus wel eene onmiddellijke werking van Gods Geest in het verstand, maar niet in den wil van den mensch. En daartegenover beweerden de Gereformeerden in het algemeen, dat de H. Geest niet alleen door het verstand heen op den wil inwerkte, maar ook zelf rechtstreeks in den wil indrong en daar onmiddellijk nieuwe hebbelijkheden wrocht 8).

Als de werking van Gods Geest in de wedergeboorte volstrekt van 's menschen wil onafhankelijk was, dan mocht zij in de tweede plaats onwederstandelijk heeten. Reeds Augustinus zeide: subventum

') M. Vitringa, Doctr. III 157.

Verg. boven bi. 13 v.

:') Verg. mijn Roeping en Wedergeboorte bl. C8—74.

Sluiten