Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

est infirmitati voluntatis humauae, ut divina gratia indeclinabiliter et insuperabiliter ageretur 1), en de Augustinianen en Thomisten onder de Roomsche theologen, evenals ook de Jansenisten, stemden zakelijk hiermede overeen, want ze namen een wezenlijk onderscheid tusschen de gratia sufficiens en de gratia efficax aan, lieten door de eerste aan den mensch het kunnen, door de tweede het werkelijk willen en volbrengen mededeelen, en leerden dus eene onfeilbare werkzaamheid der gratia efficax 2). Maar Rome heeft deze leer beslist verworpen; ze sprak te Trente uit, dat, wanneer het hart door middel van de verlichting des H. Geest is aangeraakt, neque homo ipse nihil omnino agat, inspirationem illam recipiens, quippe qui illam et abjicere potest, neque tarnen sine gratia dei movere se ad justitiam coram illo libera sua voluntate possit 3). En om allen twijfel en onzekerheid over den zin dezer uitspraak weg te nemen, verklaarde zij op het Vaticaansch concilie: fides ipsa in se, etiamsi per charitatem non operetur, donum Dei est, et actus ejus est opus ad salutem pertinens, quo homo liberam praestat ipsi Deo obedientiam, gratiae ejus, cui resistere posset, consentiendo et cooperando 4), Daarmede is feitelijk de onfeilbare werking der genade ontkend en de beslissing over het al of niet zalig worden in den wil des menschen gelegd. Dat was van ouds de leer der Pelagianen en Semipelagianen, die in de Molinistische en Congruïstische stelsels der Jezuïten over Augustinus en Thomas de overwinning behaalden, en die buiten Rome ook bij de Anabaptisten, Socinianen, de latere Lutheranen enz. 5), en hier te lande bij de Remonstranten 6) ingang vond.

De term gratia irresistibilis is eigenlijk niet van Gereformeerde afkomst, maar werd door Jezuïten en Remonstranten gebezigd, om daarmede de leer van de efficiacia gratiae, gelijk ze door Augustinus en zijne geestverwanten werd voorgestaan, te karakteriseeren. Zelfs hadden de Gereformeerden tegen dezen term wel eenig bezwaar, omdat

') Augustinus, de corrept. et grat. XII 30. Verg. Polile, Dogm. II 457 v. Heinrich, Dogm. Theol. VIII 438 v. Pesch, Prael. dogm. V 154 v. enz.

2) Verg. deel III 583.

3) Conc. Trid. VI cap. 5, verg. ook can. 3, waar de stelling verworpen wordt, dat de mensch neque posse dissentire, si velit.

4) Conc. Vatic. III cap. 3.

6) Verg. M. Vitringa, Doctr. III 171—217.

6) Conf. en Apol. Conf. art. 17, bij Episcopius, Op. III 88—89, 187—205. Liniborch, Theol. Christ. IV c. 13, 14.

Geref. Dogmatiek IV. 5

Sluiten