Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij volstrekt niet wilden ontkennen, dat de genade dikwerf, ja door den natuurlijken mensch ten allen tijde weerstaan werd en dus ook weerstaan kon worden. Zij spraken daarom liever van de efficacia of van de insuperabilitas gratiae, of verklaarden den term irresistibilis zoo, dat de genade finaliter onweerstaanbaar was. De staat van het geschil was alzoo niet, of de mensch Gods genade telkens weerstond en weerstaan kon, maar of hij ten slotte, op het bepaalde oogenblik, dat God hem wederbaren wilde en met de gratia efficax in zijn hart werkte, die genade nog verwerpen kon. Het antwoord hangt, gelijk in de vijf artikelen van de Remonstranten duidelijk uitkomt, ten nauwste samen met de leer over het bederf der menschelijke natuur, over de verkiezing al dan niet uit een voorgezien geloof, over de universaliteit en particulariteit van Christus' voldoening, over de vereenzelviging van of de onderscheiding tusschen vocatio sufficiens (externa) en efficax (interna), over de juistheid der onderscheiding tusschen eene voluntas beneplaciti en voluntas signi in het Goddelijk wezen. Terwijl de Remonstranten zich beriepen op Jes. 5:1—8. 65:2, 3, Ezech. 12:2, Mt. 11: 21-23, 23 : 37, Luk. 7 : 30, Joh, 5 : 34, Hd. 7 : 51, en op al de vermaningen tot geloof en bekeering, die in de Schrift voorkwamen, zochten de Gereformeerde theologen hunne sterkte in de teekening, welke de Schrift geeft van den gevallen mensch als blind, onmachtig, natuurlijk, dood m zonden en misdaden, Jer. 13:23, Mt. 6:23, 7:18, Joh. 8:34, Rom. 6:17, 8:7, 1 Cor. 2 :14, 2 Oor. 3:5, Ef. 2:1 enz., en in al die krachtige'woorden en beelden, waarmede het werk der genade in de ziel des menschen beschreven wordt, Deut. 30:6, Jer. 31:31, Ezech. 36 : 26, Joh. 3:3, 5, 6 : 44, Ef. 2 : 1, 6, Phil. 2 :13, 1 Petr. 1: 3 enz. En zoo spraken zij dan de krachtdadigheid en onver winbaarheid der Goddelijke genade in de wedergeboorte uit, en deden daarvan belijdenis in de synode te Dordrecht 1).

Ten derde werd de werkzaamheid Gods in de wedergeboorte nog als eene operatio physica omschreven. Maar over de juistheid van deze omschrijving bestond veel verschil van meening. Men was het hierover wel eens, dat het adjectief moralis of ethica te zwak

') Can. Dordr. III, IV en verg. daarbij Acta Syn. Nat. 1620 bl. 218—224 en de Judicia over het derde en vierde artikel der Remonstranten, bl. 153—219. Voorts Gomarus, de gratia conversionis, Op. I 85—126. Trigland, Antapol. c. 27 v. bl. 365 v. Spanhemius, de quinquart. controv. Op. III 1182 v. Mastricht, Theol. VI 3, 20. Turretinus, Theol. El. XV qu. 4-6. De Moor,Comm. IV 496—534. M. Vitringa, Doctr. III 171—217.

Sluiten