Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en onvoldoende was, en bovendien tot allerlei misverstand aanleiding kon geven. Evenals men bij de onmacht des menschen bezwaar had gemaakt, om ze eene zedelijke te noemen1), ofschoon ze toch volstrekt niet lag in de substantie der menschelijke natuur, zoo kon men ook bij het werk van Gods Geest in het hart des menschen niet met den naam zedelijk volstaan. Dit woord werd toch door de Remonstranten zoo geduid, dat de genade-werking van des menschen toestemming en inwilliging afhankelijk was en dus ook slechts uitwendig eene verandering in de wilsdaden, eene reformatio vitae ten gevolge had. En te minder kon men met den naam zedelijk zich tevreden stellen, toen later in de Gereformeerde kerk zelve Camero en zijne leerlingen Amyraldus, Testardus, Dallaeus en Blondel de gratia particularis of subjectiva (die door hen van de gratia universalis of objectiva onderscheiden werd) als eene gratia ethica sive moralis omschreven, en daarmede de congruistische leer van Pajon en Placaeus voorbereiddenz). Maar welke omschrijving dan de juiste was, viel niet gemakkelijk te zeggen. De Dordsche Synode zeide, dat de levendmaking was plane supernaturalis, potentissima simul et suavissima, mirabilis, arcana et infallibilis operatio, virtute sua, secundum Scripturam (quae ab authore hujus operationis est inspirata) nee creatione nee mortuorum resuscitatione minor aut inferior 3); en de theologen spraken van eene operatio physica of hyperphysica, realis of effectiva, persuasoria of operativa, supernaturalis of divina 4). Maar welke naam ook gebruikt werd, de bedoeling was duidelijk; de werking der genade in de wedergeboorte is niet simpliciter physica, omdat zij te doen heeft met een redelijk-zedelijk wezen, dat wel door de zonde bedorven is, maar toch mensch is gebleven, en dus overeenkomstig zijne natuur hersteld moet worden. Toch is die werking ook niet simpliciter «thica, want zij hangt niet af van de toestemming des menschen maar dringt met Goddelijke kracht in zijn binnenste door en herschept hem, in beginsel, weder naar Gods beeld. Ze is dus iets eigensoortigs, draagt tegelijk een ethisch en een physisch (hyperphysisch) karakter, is krachtig en liefelijk tevens.

') Verg. deel III 116 v.

2) M. Vitringa, Doctr. III 175—180.

■) Can. Dordr. Hl, IV 12.

") Maccovius, Loei Comm. bl. 696. Spanhemius, Op. III 1183. Mastricht, Theol. VI 3, 9, 26. Witsius, Oec. foed. III 6, 4. Turretinus, Theol. El. XV 4, 18. De Moor, Comm. IV 496 v.

Sluiten