Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geen vernietiging van deze en liet nit het niet voortbrengen van eene andere wereld, maar vrijmaking van het schepsel, dat thans der ijdelheid onderworpen is. En dat kan ook niet anders zijn, want de eere Gods als Zaligmaker hangt juist daaraan, dat Hij dit menschelijk geslacht en deze wereld op Satan herovert. Christus is daarom geen tweede Schepper, maar Verlosser, Zaligmaker van deze gevallene schepping, Reformator van alle dingen, die door de zonde verwoest en bedorven zijn. Trouwens, de zonde is ook geene substantie, maar ze bestaat in avo/tca, ze is eene privatio actuosa, die wel de forma van al het geschapene aangetast en geschonden heeft, maar haar substantie, haar wezen niet vernietigd heeft noch ook vernietigen kon. Als de herschepping de zonde dus uit de schepping verwijdert, ontneemt zij er niets wezenlijks aan, niets, dat haar (ofschoon wel „van nature") wezenlijk, oorspronkelijk eigen zou zijn, en tot haar wezen behooren zou. Want de zonde behoort niet tot het wezen der schepping; ze is later ingedrongen, ze is onnatuurlijk en tegennatuurlijk, zij is deformitas. Als de herschepping de zonde wegneemt en verwijdert, dan tast zij de natuur niet aan on onderdrukt en dwingt haar niet, maar dan herstelt zij de natuur.

En zoo ook brengt zij in de natuur des menschen geene nieuwe substantie in; de wedergeboorte bestaat niet in de instorting van eene nieuwe, hemelsche substantie, niet in zulk eene mededeeling van het godmenschelijk leven van Christus of van het goddelijk leven zelf, dat ons geestelijk leven daarmede substantiëel of essentiëel identisch zou zijn en in eigenlijken zin vergoddelijkt of vereeuwigd zou worden; niet ook in eene physiologische verandering van ons lichaam, door inplanting van de kiem van het geestelijk opstandingslichaam. Dit alles wordt in de Schrift daardoor uitgesloten, dat de gemeenschap met God en met Christus altijd tot stand komt en in stand blijft door den Geest, dat is niet op magische, physische, „naturhafte", maar op geestelijke, persoonlijke wijze. Wie den H. Geest louter als eene bovennatuurlijke, den mensch overvallende, hem als het ware van buiten af beheerschende en voortdrijvende kracht opvatten, kunnen aan het gevaar niet ontkomen, om in de wedergeboorte eene pantheïstische of theosophische verandering te zien. Maar de belijdenis der triniteit bewaart daarvoor en kent geene andere vereeniging dan eene unio personarum, al is deze dan ook zoo nauw als tusschen wijnstok en rank, hoofd en leden, man en vrouw. De wedergeboorte in één woord ontneemt ons niets, dan wat wij, zal het goed zijn, moeten missen, en zij

Sluiten