Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leven in de gemeenschap met Christus; de geloovigen zijn in den doop ééne plante met Hem geworden in zijn dood en ook in zijne opstanding, Rom. 6 : 5, zij zijn in Christus en Christus leeft in hen, 2 Cor. 13:5, Gal. 2 :20; zij kunnen jaiets doen, indien zij niet blijven in Hem als ranken in den wijnstok, Joh. 15:4, 5; zij kunnen alleen sterk worden «V xvqitf XM èv TV Trfi

avrov, Ef. 6:10, door den Geest van Christus en in zijne gemeenschap', Rom. 8:13, 26, 2 Cor. 13 :13, Ef. 3:16. Maar die Geest werkt in de wedergeborenen van het middelpunt van hun wezen uit naar den omtrek heen. Dat kan en dat behoort zoo, wijl de nieuwe mensch niet aanstonds in „trappen", maar wel in „deelen volmaakt is. In de wedergeboorte wordt principieel de gansche mensch herschapen; het ik des menschen zelf sterft en leeft uit en in Christus weer op, Gal. 2 : 20; het is terstond een *mvog dv&Qtonog, die in Christus geschapen wordt, Ef. 4:24, Col. 3:10, wel klein en teer, maar toch in alle deelen compleet. En daarom werkt de H. Geest naar verschillende zijden, om den nieuwen mensch gelijkmatig en evenredig in al zijne deelen te laten opwassen. Hij werkt als Geest der wijsheid, der heiligheid en der heerlijkheid en siert de geloovigen met allerlei krachten en gaven en deugden, Rom. 15:13, 1 Cor. 12 : 3v., Gal. 6 :22.

Bepaaldelijk werkt Hij naar de zijde des verstands de deugden van geloof, kennis, wijsheid enz. Schoon op geheimzinnige, onnaspeurlijke wijze door den Geest in den mensch ingeplant, Joh. 3:8, is het geestelijk leven toch, zoodra het zich in den mensch bewust wordt, van het eerste oogenblik af gebonden aan het woord Gods. Het is immers, ook zelfs bij kinderen, binnen den kring van het genadeverbond en onder de bedeeling van het Evangelie ontslaan. Het is in de vocatio interna door een almachtig woord Gods te voorschijn geroepen, maar door een woord, dat Hij in en door Christus sprak. En het is geboren uit dien Geest, die in het nieuwe leven terstond het geloofsvermogen inplant, de nieuwe wet in het hart schrijft, het woord Gods maakt tot een loyog ê^icpvrog, Jak. 1:21, 1 Petr. 1:23. Als het opwast, wast het op in de gemeenschap met dat woord, dat in allerlei vorm van onderwijzing en vermaning reeds in den huiselijken kring tot het kind komt, en het voelt zich krachtens zijn natuur gebonden aan dat woord, dat nu in verstaanbare klanken tot het oor en in het hart doordringt. Het onuitsprekelijk woord, dat in het hart geschreven werd, leert zichzelf kennen door het woord, dat Christus spreekt in de Schrift. Er is hier eene

Sluiten