Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Door de verlichting des H. Geestes gaat den menscli een gansch nieuw licht op over alle dingen, over God, Christus, zonde, genade, Schrift, kerk, wereld, dood, oordeel enz. In Gods licht ziet hij thans licht 1).

Deze kennis wordt nu in de Schrift nader omschreven als kennis des geloofs. Het is geheel in overeenstemming met de Schrift, te zeggen, dat de kennisse Gods in het aangezicht van Christus zalig maakt, rechtvaardigt, vergeving der zonden en eeuwig leven schenkt,. 1 Kon. 8:48, 1 Chr. 28:9, Ps. 89:16, Jes. 1:3, 11:9, 53:11, Jer. 4:22, 31:34, Hos. 2:19, 4:1, 6, Mt. 11:27, Luk. 1:77, Joh. 8: 32, 10: 4, 14, 17 : 3, Rom. 10 : 3, 2 Cor. 2 :14, Gal. 4: 9,. Ef. 4:13, Hebr. 8:11, 1 Joh. 5:20, 2 Petr. 1:2, 3:8. Maar wijl zij krachtens haar oorsprong, wezen en voorwerp een geheel bijzonder karakter draagt, wordt zij eene kennis des geloofs genoemdZoo bepaald, wordt zij daarmede echter volstrekt niet aangeduid als iets, dat aan de menschelijke natuur als zoodanig vreemd is en in den zin van een donum superadditum aan haar toegevoegd wordt. Duisternis, dwaling, leugen enz. zijn tegennatuurlijk, eigenschappen der gevallen natuur, maar het licht der kennis behoort tot het beeld Gods, dat den mensch oorspronkelijk en wezenlijk eigen was. En ook de kennis des geloofs is geen volstrekt bovennatuurlijk toevoegsel aan den mensch. Gelooven gansch in het algemeen doet ieder mensch, altijd en op alle terrein, vooral ook op dat der wetenschap. Er is geene kennis zonder eenig geloot;, het dualisme tusschen geloof en wetenschap is theoretisch en practisch onmogelijk. Zelfs spreekt men in de dogmatiek behalve van zaligmakend, ook van historisch en wondergeloof, welke van het eerste wel wezenlijk onderscheiden zijn en ook in onwedergeborenen vallen kunnen, maar er toch zooveel overeenkomst mede hebben moeten, dat zij denzelfden naam van geloof kunnen dragen. Maar zelfs het geloof in engeren zin, de fides justificans of salvifica, is geen donum supperadditum naar Roomsche opvatting. Wel is het geloof eene gave Gods, Hd. 5:21, Ef. 2: S. Phil. 1:29, vrucht van zijne övvafiig, 1 Cor. 2:4, 5, Ef. 1 : 19, 1 Thess. 2 : 13, en bepaaldelijk door den H. Geest geschonken,. 1 Cor. 12: 3, 2 Cor. 4:13. Maar zij is toch eene gave, die niet in absoluten zin, doch slechts toevallig, ter wille van de zonde, nood-

i) yerg. deel I 365. II 182. M. Vitringa, Doctr. III 224. Seeberg, art. Erleuch-

tung in PRE3 V 457—459.

Sluiten