Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vangen hebben, ten nauwste met de waarheid, welke zij gehoord hebben, vs. 21—24; als zij daarin blijven, blijven zij ook in den Zoon en den Vader en hebben geene nadere onderwijzing meer noodig. Overal verwijst de Schrift den geloovige buiten zich, naar de openbaring Gods in natuur, wet en Evangelie heen, Deut. 4: 1, Jes. 8:20, Joh. 5:39, Rom, 1:20, 15:4, 2 Tim. 3:15, 1 Petr. 1:25, 2 Petr. 1: 19 enz. 3° In het natuurlijke is het zoo, dat de mensch wel een bewustzijn, verstand, rede meebrengt, maar dat hij toch allen inhoud der kennis van buiten verkrijgen moetl). Veelmeer is dit in het geestelijke het geval. Want al zijn alle geloovigen ook door den Heere geleerd, zij leven toch nog in het vleesch, en blijven tot dwaling geneigd. Telkens verheffen zich in hen gedachten, die zij gevangen hebben te leiden tot de gehoorzaamheid van Christus. Aan zichzelven overgelaten, zouden zij terstond vervallen tot dwaling en leugen. En daarom is hier eene objectieve openbaring noodig, die tot regel strekt van leer en leven. 4° Daar komt nog bij, dat niet zienlijke, maar onzienlijke, geestelijke, eeuwige dingen het voorwerp dezer religieuze kennis zijn. Hetgeen geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en in 's mensch en hart niet is opgeklommen, dat heeft God in het Evangelie bereid dien, die Hem liefhebben. Hoe zullen wij deze dingen kennen, vast en zeker, tenzij zij ons in een getrouw beeld, zuiver en onvervalscht, voor de oogen worden geplaatst? Wij wandelen hier niet door aanschouwen; zoo behooren wij dan de heerlijkheid des Heeren in een spiegel te aanschouwen, om naar datzelfde beeld in gedaante veranderd te worden. 5° En eindelijk, gelijk in het natuurlijke ieder schepsel voedsel zoekt naar zijn aard, zoo trekt ook in den geloovige het nieuwe leven altijd weer naar het Evangelie, naar het woord van Christus, naar de Schriften heen als naar den grond, waarop het steunt, als naar het voedsel, waardoor het gesterkt wordt. Niet ontbeerlijker, maar steeds onmisbaarder en heerlijker wordt de Schrift dengene, die opwast in het geloof. Het getuigenis des H. Geestes in zijn hart bindt hem in dezelfde mate en kracht aan de Schrift als aan den persoon van Christus zei ven2).

Uit dit alles wordt nu ook duidelijk, waarom de religieuze kennis in de Schrift als eene kennis des geloofs omschreven en

x) Verg. deel I 63v. 217v. II 44v. s) Verg. deel I 637 v.

Sluiten