Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geloof aan zijn persoon. Zoodra Jezus dan ook uit de dooden opgestaan, ten hemel gevaren was en den Heiligen Geest gezonden had, begonnen zij Hem te verkondigen als dengene, die door God tot Heer en Christus was gemaakt, Hd. 2 : 36, om Israël te geven bekeering en vergeving der zonden, Hd. 2 : 38, 5 : 31. En weldraontstond er eene gemeente, die zich daardoor kenmerkte, dat zij geloofde in den Heere, Hd. 5 :14, 9 : 42, 11: 1<, 14 . 23.

Dit geloof sloot van den aanvang aftwee elementen in zich: 1° het aannemen van de apostolische prediking aangaande den Christus, en <2° het persoonlijk vertrouwen op dien Christus, als nu nog levende in <Jen hemel, en machtig, om de zonden te vergeven en de volkomene zaligheid te schenken. Hoewel beide zijden in de geschriften dei apostelen naast elkander voorkomen, legt toch Johannes vooral den nadruk op het eerste moment, motevsiv c. acc. of met een objectszin of c. dat. rei, Joh. 2:22, 4:50, 5:47, 6:69, 8:24, 11.42 13 : 19, 17 : 8, 21, 1 Joh. 5 :1, 5; Paulus daarentegen op het tweede, en spreekt dan van niang c. gen., van Jezus, Rom. 3:22, Gal. 2. 16, 20, 3 : 22, Ef. 3 :12, Phil. 3 : 9, van de waarheid, 2 Thess. 2 : 13, van het Evangelie, Phil. 1:27, nqoa &sov, 1 Thess. 1: b, dg Xqigiov, Col. 2 : 5, Phil. 5, èv xqiovy, Gal. 3 : 26, Et. 1:15, 2 Tim. 3 :15, en van mffftvsiv tin, Rom. 4 : 3, Gal. 4 : 6, 2 Tim. 1.1-, Tit, 3 : 8, im tivcc, Rom. 4 : 5, 24, sni rm, Rom. 9 : 33,1 Tim. 1: 16 en vooral els viva, Rom. 10: 11, Col. 2 :5, Phil. 1.29 enz. Maar volstrekte tegenstelling is dit niet, want Johannes spreekt menigmaal van marsveiv slg tiva, 2 :11, 3 : 16, 18, 36, 4 . 39, 6 . 29 enz., to ovoficc, 1: 12, 2 : 23, I 5 :13, en ook «w, 3 : 15, 5 : 24, 38, 46, 6:30, en rV övouau, I 3: 23; en Paulus construeert matsveiv ook met ti en óri, Rom. 10:9, 1 Cor. 13:7, cf. 15:14, 17, 1 Thess. 4:14. Vooral is het verkeerd, de latere onderscheiding van Deo credere en in Deum credere of ook die van historisch en zaligmakend geloof met de bovengenoemde te vereenzelvigen. Menigmaal toch sluit de constructie van morevsiv met <hi, bijv. dat Jezus is de Christus, wel terdege het zaligmakend geloof in, Joh. 6:69, 8 : 24, 11: 27, 17 : 8, 1 Joh. 1: 5, Rom. 10 : 7; en matevsiv uvi of «g zl'vu is dikwerf niet meer dan een historisch geloof, Joh. 7:31, 40v., 8 : 30v., 10 : 42, 11: 45, 48, 12 :11, 42 ; in 1 Joh. 5 :10 staat

zelfs marsvsiv si? irjV aaoivQiav.

Voorts komt in de beschrijving van het geloof de individualiteit der

apostelen uit; ieder beziet het van zijne zijde. Jakobus komt tegen de

eenzijdig intellectualistische opvatting van het geloof op, en toont aan,

Sluiten