Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat het echte geloof in Jezus Christus, 2 : 1, dat den toegang in het gebed tot God ontsluit 1:6, 5 :15, en beginsel der deugden is, 1: 3, in goede werken als een levend geloof zich bewijzen moet, 2 :17v. Petrus, de apostel der hope, brengt het geloof, dat overigens ook bij hem de gerechtigheid van Christus deelachtig maakt, 2 Petr. 1:1, en beginsel van goede werken is, 1 Petr. 1 : 7, 21, 5 : 9, vooral met het verkrijgen van het einde der zaligheid in verband, waartoe de geloovigen door de kracht Gods bewaard worden, 1 Petr. 1 : 5, 9, 2 : 6. Paulus let bij het geloof vooral op zijn voorwerp, n.1. Jezus Christus, die van God ons geworden is tot wijsheid, gerechtigheid, heiligmaking en verlossing, 1 Cor. 1 : 30, aan wiens persoon en weldaden wij alleen door het geloof, zonder de werken der wet, deel krijgen, omdat God zijne gerechtigheid in Hem juist zonder en buiten de wet om heeft geopenbaard, Rom. 3 : 21— 28; maar om er dan vervolgens even sterk den nadruk op te leggen, dat dat geloof, wijl het niet bloot op Christus vertrouwt, maar in Hem inlijft, in zijne gemeenschap opneemt en zijns Geestes deelachtig maakt, oorsprong en waarborg van een nieuw leven is, Rom. 6v. De schrijver van den brief aan de Hebreeën daarentegen, ofschoon erkennende, dat Jezus Christus het voorwerp, 3 : 14, 10 : 22, 13 : 7, 8, evenals ook de leidsman en voleinder des geloofs is, 12 : 2, beschouwt dit toch veelmeer van zijne subjectieve dan van zijne objectieve zijde. Zijne lezers liepen immers gevaar, om terug te vallen en zich te onttrekken ten verderve, 4:1, 6:1, 10 : 39, en daarom wijst hij aan, dat het geloof bestaat in zekerheid aangaande het onzienlijke, eeuwige en toekomstige, 11 : 1, dat het zijne echtheid betoonen moet in vasthouden aan Gods trouw, 11 : 11, macht, 11 : 18, en beloften, 4 : 1, 2, 6 : 12, 10 : 36, 11 : 6, 9, 26, en dat zijne deugden vooral bestaan in vrijmoedigheid, 3 : 6, 4 : 16, 10 : 19, 35, vastheid, 3 : 14, 11 : 1, lijdzaamheid, 10 : 36, 12 : 1, en hoop, 3:1, 6 : 11, 18. 10 : 23. Johannes eindelijk laat het geloof ons vooral van die zijde zien, waarnaar het niet eerst in de toekomst, maar thans reeds in het heden, niet aan den gnosticus, maar aan elk, die waarlijk gelooft, dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is, 1 Joh. 4 : 2, het eeuwige leven schenkt, Joh. 3 : 16, 5 : 24, 6 : 47, 54, 20 : 31, 1 Joh. 3 : 14, 15, 5 : 11, want dat leven is immers juist in Christus verschenen, Joh. 1 : 4, 1 Joh. 1 : 1, 2, 5 : 11; wie Hem heeft, heeft het leven, 1 Joh. 5 : 12.

Maar in die rijke verscheidenheid blijft de eenheid volkomen bewaard. Gelooven sluit altijd in het aannemen van het getuigenis,

Sluiten