Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vullen zou, Ef. 4 : 10. De H. Geest, die wederbaart, is dezelfde, die ook in ons van Christus getuigt. De Schrift leidt op tot Christus, die boven is, gezeten aan Gods rechterhand, en Christus, die door dén Geest in onze harten woont, leidt ons terug tot de Schrift. Met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid, maar met den mond belijdt men ter zaligheid, Kom. 10:10. Het geloof naar de Schrift sluit beide uit: 'een geloof des harten, dat niet belijdt, en eene belijdenis, die niet wortelt in het geloof des harten. Het is mystisch en noëtisch tegelijk, een onbepaald, onwankelbaar vertrouwen op Christus, als die naar het getuigenis der Schrift alles voor mij volbracht heeft en op dien grond thans en eeuwiglijk mijn Heer en mijn God is.

451. Deze rijke leer der Schrift over het geloof kwam m de theologie niet tot haar recht, omdat men van de gewone, dagelijksche beteekenis van het woord uitging en de religieuze beteekenis, welke het in de Schrift verkregen had, uit het oog verloor 1). Bij Rome leidde dit langzamerhand tot de volgende voorstelling: 1°. Gelooven is altijd en overal, ook in den Christelijken godsdienst eene daad des verstands, hetzij meer van het theoretisch of van het practisch verstand, bestaande in een cum assensu cogitare; in de religie is het een assensus firmus ac certus ad ea omnia, quae Deus credenda proponit. 2°. Zoo beschouwd, is het geloof (als fides informis) wel goed, eene kostelijke deugd, ja zelfs eene gave Gods. Want de wil, die overeenkomstig den regel: nemo credit nisi volens, altijd aan het gelooven voorafgaat, is daartoe door de genade Gods bewogen. Wel is waar hebben ook de duivelen deze fides informis, maar zij ontvangen deze niet als eene gave Gods, doch gelooven, omdat zij in hun verstand de waarheid niet kunnen weerspreken. De mensch heeft echter, door de genade Gods bewogen, zelf vrijwillig de openbaring Gods toegestemd, en daardoor eene verdienstelijke daad verricht, die op loon aanspraak kan maken, en als eene van de zeven praeparationes hem voor de rechtvaardigmaking voorbereidt. Desniettemin is het geloof op zichzelf, als fides informis, ongenoegzaam, om den mensch rechtvaardig en zalig te maken. 3°. Bij het geloof moet dus de liefde bijkomen; de fides informis moet eene fides formata worden. Op de vraag, hoe ze dat wordt, zijn de antwoorden verschillend. Sommigen zeggen, dat de fides informis en de fides formata twee onderscheidene habitus zijn,

*) Verg. deel I 612. Geref. Dogmatiek VI.

Sluiten