Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoodat de eerste, bij het optreden der tweede, verdwijnt. Anderen zeggen, dat beide naast elkaDder blijven voortbestaan. En nog anderen zijn de meening toegedaan, dat beide, in hetverstand beB„houwd! unus et idem h„bit»s „ijn, en aUeen met het oog daarop, dat de fides formata, als liefde, zetelt in wü i) Eerst deze fides formata maakt rechtvaardig en zalig, maar ook wie alleen de fides informis bezit, moet als een geloovige, als een Christen, als een waar doch incompleet lid der kerk worde beschouwd. 4o. Het geloof heeft tot object, met de bijzondere genade Gods in Christus, gelijk de Hervormers zeggen, maar alles wat God geopenbaard heeft. Maar natuurlijk is het niet mogelij en daarom ook niet noodig, dat alle geloovigen, ook de eenvoudigste al de artikelen des geloofs kennen en onderscheiden, zij gelooven vele dingen, quae ignorant en bezitten fidem velatam in mysterie*). Ze moeten wel eenige kennis bezitten, en van de dogmata, dat God bestaat, een belooner is, drieeënig is en in Christus vleesch werd, eene fides explicita hebben, maar overigens kunnen zii met eene fides implicita volstaan en omhelzen daarmede omne, quod credit sacrosancta mater ecclesia. Daarom is het geloof eenerziids geene fiducia op Gods barmhartigheid in Christus, gelijk Luther zeidetonoch ook eene notitia of cognitio, gelijk Calvijn leerde, maar het is simplex assensus, beter per ignorantiam quam per scientiam te definiëeren 3). 5°. Bepaaldelijk kan het niet bestaan in het vertrouwen, dat Christus mijn Heer en mijn Zaligmaker is dat my persoonlijk de zonden vergeven zijn. Want ten eerste is het ge 00 eene zaak van het verstand en vertrouwen eene zaak van den wil, en eene en dezelfde deugd kan niet tegelijk in twee vermogens zetelen Ten andere is vertrouwen niet het geloof zelf, maar een gevolg en vrucht van het geloof; als ik iets vast geloof dan vertrouw ik erop; fides antecedit, fides generat fiduciam. Ten derde kan het vertrouwen, dat mij de zonden vergeven zijn, met samenvallen met het geloof, waardoor ik Christus aangrijp, ten einde^door Hem de vergeving der zonden te ontvangen. En ten vierde, als het geloof in den zin van vertrouwen rechtvaardigde, dan zou da mede de stelling vallen, dat het geloof alleen rechtvaardigde, want in vertrouwen ligt ook hoop en liefde opgesloten *). Het vertrouwen,

1) Thomas, S. Theol. II 2 qu. 4 art. 4.

2) Lombarbus, Sent. III 25.

3) Bellarminus, de Justif. I c. 7.

4) Bellarminus, de Justif. I c. 10.

Sluiten