Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat mijne zonden vergeven zijn, kan om al deze redenen, het geloof zelf niet zijn, maar volgt erop en vloeit er nit voort. 6°. Eindelijk, dit vertrouwen kan, tenzij door bijzondere openbaring, nooit absolute zekerheid zijn; het is en blijft eene certitudo moralis, conjecturalis, die vergissing en verlies der genade niet uitsluit1).

Wijl de Hervorming geboren werd uit de persoonlijke ervaring, dat de menseh niet door de werken der wet, maar alleen door het geloof gerechtvaardigd wordt, stelde zij spoedig tegenover Rome eene gansch andere opvatting van voorwerp en wezen des geloofs. Luther sloot zich eerst nog wel aan bij de oude, van Hebr. 11 : 1 uitgaande definitie, dat het geloof is substantia rerum sperandarum et non apparentium, maar kwam weldra tot het inzicht, dat het is fiducia, confidere in nudum Deum, fiducia misericordiae, promissae propter Christum. En dit werd de voorstelling van heel de Luther sche kerk en theologie; het geloof was ook wel een notitia (credere Deum) en assensus (credere Deo) in intellectu, maar vooral toch eene fiducia in voluntate (credere in Deum); niet een algemeen geloof, dat God bestaat en dat de vergeving en zaligheid in Christus is, maar een speciaal vertrouwen, dat die vergeving en zaligheid ook persoonlijk aan mij geschonken is; geene notitia historiae slechts, maar eene fides, quae credit etiam effectum historiae, videlicet hunc articulum, remissionem peccatorum, quod videlicet per Christum habeamus gratiam, justitiam et remissionem peccatorum; een veile et accipere oblatam promissionem remissionis peccatorum et justificationis 2). Calvijn stelde het wel eenigszins anders voor, en legde er vooraf den nadruk op, dat het geloof eene firma certaque divinae erga nos benevolentiae cognitio was; hij omschrijft het dus door cognitio en niet door fiducia, legt nog meer op de plena ac fixa certitudo, dan op de apprehensio in het geloof nadruk3), en zegt elders, dat de apostel in Ef. 3 : 12 ex fide deducit fiduciam *). Maar een wezenlijk verschil is dit niet; ook volgens Calvijn is het zaligmakend geloof geen notitia historiae,

Thomas, S. Theol. II 1 qu. 112 art. 5. Bellarminus, de Justif. III c. 2 v. ■Conc. Trid. VI c. 9 en can. 13—15. Verg. verder reeds deel 1612 en deel III 583 met de daar aangehaalde litteratuur.

2) Luther bij Köstlin, I 72 v. III, 130, 134 II 434 v. Melanchton, Corpus Doctrinae bl. 418 v. Miiller, Die Bekenntnisschriften der ev. luth. K. bl. 46,95 enz. Heppe, Uogm. d. deutschen Prot. II 283 v. Schmid, Dogm. der ev. luth. Kirche bl. 299 v.

') Calvijn, Inst. III 2, 7. 14.

4) Inst. III 2, 15. Verg. Piscator bij Heppe, Dogm. bl. 387. Voetius, Disp. V 288—300. Eitschl, Rechtf. u. Vers. III2 95 v.

Sluiten