Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ontwikkeld werd, de vraag liet zich niet onderdrukken, of met deze verklaring aan de woorden van antwoord 21 en aan het standpunt der Hervormers geen geweld werd aangedaan. Is de habitus fidei, (semen, radix, facultas, principium fidei) in formeelen zin wel fides te noemen, en had Voetius niet gelijk, als hij aangaande de fides als radix, facultas enz. zeide: non nisi analogice et impropne per metonymiam causae seu principii hanc vocari posse fidem; formaliter enim non magis est fides, quam semen est arbor, aut ovum est pullus, aut bulbus est flos 1).

453. Niet minder ernstig waren de moeilijkheden, die er oprezen bii het nadenken over den aard der iiducia, welke door zoovelen als de eigenlijke formeele daad van het geloof werd beschouwd. Bel1 ar minus had er al tegen ingebracht, dat het vertrouwen, dat mij al mijne zonden vergeven zijn, onmogelijk identisch kan wezen met het geloof, waardoor ik Christus tot vergeving mijner zonden aanneem, maar daarvan slechts gevolg en vrucht kan zijn. En deze critiek maakte indruk. Gomarus erkende feitelijk haar recht, als hij onderscheid maakte tusschen de fides, per quam justificamur, en de fides, qua credimus nobis per Christum remissa esse peccata; de eerste gaat aan de rechtvaardiging vooraf, de tweede volgt er op- de eerste wordt aan allen door de H. Schrift voorgeschreven, de'tweede volgt uit de H. Schrift en uit het getuigenis onzer eigene conscientie, en is als het ware de conclusie uit een syllogisme ) Deze, meer logisch dan temporeel, bedoelde onderscheiding werd door' alle theologen overgenomen3), en zou op zichzelve nog niet zulke belangrijke gevolgen hebben gehad, maar zij werd door twee overwegingen versterkt. De eerste was van theoretischen aard en werd ontleend aan de leer der particuliere voldoening. Volgens de Gereformeerde belijdenis had Christus niet voor alle menschen,

r^gt^Tl747, in de uitgave, Bolsward 1851 gedrukt achter zijne Verhandeling over de Rechtvaerdigmaking door het geloof bl. 215—2b2.

!) Voetius, Disp. II 499 V 288.

a) Gomarus, in een appendix achter zijn commentaar op Hebr.,

quam justificamus, natura, Op. I 6o4 v. .

■) Bijv. .4—, Med. Theol. XXVII 16. Maccovius, Com-^765.

Mastricht, Theol. I 1, 25. Voetius, Disp. II 502. Mnus, TheoL El. V^qu. 8 7 11 qu 10, 3. qu. 12. 6. Comrie, Oatech. bl. 447. Brakel, Red. .

27 enz. Verg. ook Conf. Westmon. c. 18, 3, bij K. Muller, bl. 580, en den strijd over het toevluchtnemend en verzekerd vertrouwen m Schotland, Princeton Theol. Review, July 1906, bl. 327—331.

Sluiten