Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat hij de paedagogische beteekenis der croyances niet wilde ontkennen, ook den band van croyances en foi niet wilde doorsnijden, maar alleen tegen verwarring en vereenzelviging van beide in verzet kwam. Zoozeer zijn de geloofsvoorstellingen voor het geloof onmisbaar, dat la croyance engendre la foi, et il n'y a pas de foi sans croyance 1). Slechts is het geloof in dien zin van de geloofsvoorstellingen onafhankelijk, dat nos croyances, quelles qu'elles soient —■ vraies ou fausses — n' entrent nullement en ligne de compte dans le jugement que Dieu porte sur nous. Dieu ne regarde pas a nos croyances, mais a notre coeur. Celui qui lui donne son coeur, c'est a, dire celui qui a la vraie foi, lui est agréable, quelles que soient ses erreurs doctrinales, et celui qui ne lui donne pas son coeur, c'est a dire qui est incrédule, sera condamné quelque orthodoxe qu'il ait été. Nous sommes sauvés par la foi seule — sola fide — indépendamment de nos croyances 3). Omgekeerd legt de positieve theologie er den sterksten nadruk op, dat de fides generalis, hoe onmisbaar ook, onvoldoende is, en dat de fides specialis een vertrouwen des harten is. Er blijft alleen het overigens belangrijk verschil, of de fides generalis aan de fides specialis voorafgaat dan wel uit deze voortvloeit.

Eindelijk toonen de nieuwere beschrijvingen van het geloof ook daarin nog eene groote overeenstemming, dat zij naast de religieuze, tevens de ethische natuur van het geloof sterk op den voorgrond doen treden. Wijl Ritschl in de rechtvaardiging een goed der gemeente zag en haar meer als onderstelling dan als inhoud des geloofs opvatte, kwam de mystiek bij hem niet tot haar recht, en liep hij gevaar, de religie in moraal te doen opgaan; immers het geloof betoont zich vooral in den arbeid aan het Godsrijk en valt wezenlijk met de liefde saam 3). Terecht wordt daartegenover door anderen de religieuze natuur van het geloof gehandhaafd, en de rechtvaardiging en unio mystica als weldaden beschouwd, die ook aan iederen geloovige in het bijzonder geschonken worden; maar ook dezen beijveren zich, om het innerlijk verband van geloof en liefde, van rechtvaardiging en heiligmaking vast te houden, en de

x) Ménégoz, Publications diverses sur le Fidéisme. Paris 1900 bi. 251.

2) Ménégoz, t. a. p. bl. 262.

3) Ritschl, Recht. u. Vers. III2 551: Der Glaube an Christus und Gott fallt unter dem Umfang des.... Begriffs der Liebe. Er ist stetige Richtung des Willens auf den Endzweck Gottes und Christi, welche der Glaubige um seiner selbst willen innehalt. Verg. bl. 100.

Sluiten