Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bestond volgens de Gereformeerden niet bloot in de gave der vires credendi, in het herstel der vrije wilskeuze, in een baptismal regenera'tion, die van de wedergeboorte als renovatio vitae in wezen onderscheiden en in haar bestand van de later volgende persoonlijke toestemming en aanvaarding afhankelijk was; maar zij was terstond eene wedergeboorte in vollen zin, in beginsel den ganschen mensch omvattend, al zijne vermogens en krachten aanvankelijk vernieuwend, en later naar alle zijden in geloof en bekeering, in heiligmaking en goede werken zich openbarend en bevestigend. Het is één leven, dat in de wedergeboorte wordt ingestort, bij het opwassen voortdurend versterkt wordt, en in het eeuwige, zalige leven hiernamaals wordt voltooid.

De belijdenis der wedergeboorte als inplanting van het nieuwe levensbeginsel bevat daarom ook nog eene uitnemende, paedagogische waarde. Het is natuurlijk geen onomstootelijk dogma, dat alle kinderen des verbonds of zelfs alle uitverkorene kinderen des verbonds reeds ia hun prille jeugd, vóór of in den doop, worden wedergeboren. De Gereformeerde theologen hebben dit nooit in dezen krassen zin geleerd. Maar zij hielden staande, dat zulk eene wedergeboorte in de jeugd, vóór de jaren des onderscheids, plaats hebben kon, wijl de Geest van Christus niet aan het bewustzijn en den wil des menschen gebonden is; zij beleden, dat zulk eene wedergeboorte in de jeugd menigmaal werkelijk plaats had, inzonderheid bij die kinderen, welke God in hunne kindsheid uit dit leven wegnam; en zij hielden zich aan den regel, dat wij alle kinderen des verbonds, die in de gemeenschap der kerk geboren en gedoopt zijn, niet als heidenkinderen, maar naar het oordeel der liefde als ware kinderen des verbonds te beschouwen en te behandelen hebben, totdat uit hun belijdenis of wandel duidelijk het tegendeel blijkt. AVelke kracht en waarde in deze beschouwing voor de Christelijke opvoeding, gelegen is, zoowel voor die van het huisgezin als van de school en de kerk, kan hier niet nader ontwikkeld worden x). Maar zij kenmerkt de Gereformeerde paedogogiek in haar onderscheid van de anabaptistische en methodistische, handhaaft het verband tusschen natuur en genade, gaat uit van de realiteit van genadeverbond en doop, gelooft aan de eenheid en den organischen wasdom van het geestelijk leven, en erkent ten volle, dat God het geloof en de bekeering volstrekt niet altijd plotseling in het hart werkt, maar

') Verg. mijne Paedag. Beginselen. Kampen 1904 bl. 00 92.

Sluiten