Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dikwerf, ja in den regel, geleidelijk, langs psychologischen enpaedagogischen weg, uit het ingeplante leven voortkomen en zich ontwikkelen doet.

Deze voorstelling is volstrekt niet daarmede in strijd, dat het geloof in de H. Schrift steeds als eene gave Gods beschreven wordt Mt. 11: 25—27, 16 :17, Gal. 1: 16, Joh. 1: 12, 13, 6 : 44, 1 Cor.' 12:3, Ef. 1:11, 2:8, Phil. 1:29, 2:13, gelijk het als zoodanig ook altijd door alle vromen gaarne en dankbaar erkend wordt. AVant de wijze, waarop God zijn raad uitvoert, doet in geen enkel opzicht te kort aan de werkelijkheid en kracht van dien raad, ja is zelve in dien raad opgenomen en bepaald. God kan den mensch, dien Hij wederbaarde naar zijnen wil, plotseling of ook geleidelijk tot geloof en bekeering brengen, maar Hij blijft altijd dezelfde genadige en almachtige God, die beide het willen en het werken werkt naar zijn welbehagen. Immers, zoomin als Hij in de schepping, nadat Hij alles uit het niets te voorschijn heeft geroepen, zich van de wereld terugtrekt en haar aan zichzelve overlaat, zoo min laat Hij in de herschepping het werk varen, dat Hij in de wedergeboorte begonnen heeft. Hij woont door zijn Geest in al het geschapene in, en is door dienzelfden Geeet, als Geest van Christus, in heel de gemeente en in elk van hare leden tegenwoordig. Hij behoeft niet van buiten en van boven af neder te dalen, maar dringt door den Geest, die in Christus en in de gemeente als zijn lichaam woont, in de binnenste deelen des menschen door, opent het geslotene, vermurwt het harde hart, maakt daar woning en verlaat het nimmermeer. Hij versterkt het nieuwe leven voortdurend van binnen uit, Ef. 3 :16, en voedt het van buiten af door de verkondiging van zijn woord. Vocatio interna en externa gaan hand aan hand. Gelijk God het zaad in den akker van binnen uit doet zwellen en breken, nederwaarts wortelen doet schieten en opwaarts doet ontkiemen en uitspruiten, en daarbij van de voedende krachten en sappen in den bodem, van regen en zonneschijn als middelen zich bedient, zoo sterkt en voedt Hij het geestelijk leven van oogenblik tot oogenblik door de kracht zijner genade en door den zegen van zijn woord. Niet voor eens, maar altijd door werkt Hij het willen en het werken naar zijn welbehagen. Hij schenkt het geloofsvermogen en de geloofskracht, maar ook het willen gelooven en het gelooven zelf, niet mechanisch noch magisch, maar innerlijk, geestelijk, organisch, in verband met het woord, ■dat Hij op allerlei wijze, door het lezen der Schrift, door den raad

Sluiten