Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aangenomen; de waarheid verandert niet, maar ze wordt door den vrome in een ander licht gezien; ze wordt dan aanvaard en omhelsd als eene goddelijke waarheid, die min of meer rechtstreeks met 's menschen eeuwige belangen in verband staat.

Dat is de waarheid, welke het piƫtisme met zijne bevindelijke kennis tegen de letterkennis verdedigde; het dwaalde af, wanneer het de verandering in de wijze, waarop de waarheid door het historisch en door het zaligmakend geloof wordt aangenomen, ook tot den inhoud uitbreidde en van eene andere, hoogere, geestelijke waarheid of van eene waarheid achter de waarheid ging spreken, doch het had toch volkomen gelijk in zijne bewering, dat de vrome dezelfde waarheid op eene gansch andere wijze ziet en aanneemt dan hij, die het persoonlijk godsdienstige leven mist. Trouwens de Reformatie had van den aanvang af niet anders geleerd. Als Calvijn het geloof omschreef als eene firma certaque cognitio, dan dacht hij daarbij niet aan het historisch, maar zeer stellig en beslist aan het zaligmakend geloof, want hij gaf aan die cognitio de divina erga nos benevolentia tot object, en deed haar zetelen meer in het hart dan in de hersens, meer in het gemoed dan in het verstand 1).

Bovendien, zekerheid op godsdienstig gebied krijgt de mensch volgens Calvijn alleen door het getuigenis des H. Geestes, dat is door het getuigenis van dienzelfden Geest, die alle geloovigen in al de waarheid leidt, hen verzekert van hun kindschap en hun de hemelsche erfenis waarborgt2). Niemand kan daarom naar de eenstemmige belijdenis van alle Gereformeerde theologen het woord Gods zaligmakend hooren, tenzij hij wedergeboren zij. En daarmede steunden zij op het getuigenis der Schrift, die het herhaaldelijk klaar en duidelijk uitspreekt, dat de natuurlijke mensch de dingen des Geestes Gods niet begrijpt, maar dat alleen de wedergeborene het koninkrijk der hemelen ziet. Het historisch geloof moge dus temporeel menigmaal aan het zaligmakend geloof voorafgaan, en ook op zichzelve onmiskenbare paedagogische waarde hebben; de firma certaque cognitio van Gods genade in Christus en voorts van alle waarheden des heils, is vrucht, of liever inhoud en bestanddeel van het ware, zaligmakend geloof. De notitia en assensus, die in het historisch geloof liggen opgesloten en somtijds reeds vroeger iemands verstandelijk eigendom waren, worden later op

Calvijn, Inst. II 6, 7, 8. 2) Verg. deel I 626 v. 539.

Sluiten