Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vaar werd te ernstiger, toen in de Protestantsche kerken eerst de doode orthodoxie en daarna het rationalisme de overhand kreeg. Ten andere werd het daarom noodzakelijk, om tusschen de cognitio van het zaligmakend en de notitia van het historisch geloof een helder en duidelijk onderscheid te maken; maar zoodra men dit beproefde, zag men zich wel genoodzaakt, om, op het voorbeeld van Calvijn zeiven, de cognitio van het zaligmakend geloof te omschrijven als eene zaak meer van het hart dan van het hoofd, meer van het gemoed dan van het verstand. Daarmede werd echter tegelijk het zwaartepunt van de fides salvifica uit het kennen in het vertrouwen verlegd, en de onderscheiding, min of meer zelfs de tegenstelling voorbereid, dat het echte geloof niet alleen eene cognitio, maar ook (en dus vooral) eene fiducia was, de fiducia drong dus de cognitio (de Heid. Catech. antw. 21 spreekt zelfs niet van cognitio, maar van notitia) als van minder waardij op den achtergrond. En ten derde bracht de omschrijving van het echte geloof als fiducia zoowel theoretisch als practisch eene eigenaardige moeilijkheid mede en maakte zij in de fiducia weder de onderscheiding noodzakelijk tusschen het toevlucht-nemend en het verzekerd vertrouwen, tusschen den actus directus en den actus reflexus, het wezen en het wel wezen des geloofs, tusschen de daad, waarmede de geloovige naar Christus uitgaat en Hem als Zaligmaker begeert en aanneemt, en de daad, waarmede hij tot zichzelven terugkeert en zich van zijne gemeenschap aan Christus en aan al zijne weldaden vergewist.

Deze onderscheiding was op zichzelve niet verkeerd, maar leidde er spoedig toe, om de beide daden des geloofs temporeel op elkander te laten volgen, om tusschen het toevluchtnemend en het verzekerd vertrouwen het zelfonderzoek in te schuiven, om de verschillende werkzaamheden des geloofs op te vatten als zoovele trappen en stadiën in het geloof, en alzoo de geloovigen in een aantal groepen en klassen in te deelen, die in de stichtelijke lectuur en in de toepassing der predikatie ieder in het bijzonder werden toegesproken en behandeld. In één woord, het herstel door de Reformatie van de religieuze natuur van het geloof, de ontdekking, dat het geloof iets gansch anders was dan het historisch voor waar houden van eenige

tegen ontkenuen het wezenlijk onderscheid van fides temporaria en lides salvifica, en nemen de obedientia op in het geloof, Conf. X. Apol. pro Conf. XVIII. "Verg. M. Vitringa, Doctr. III 72, 93, 96—98.

Sluiten