Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

godsdienstige voorstellingen, het diepe inzicht, dat het echte geloof eene fides specialis was, met een speciaal object, n.1. de persoon van Christus (Gods genade in Christus, de divina erga nos benevolentia), dit alles deed in de historie hoe langer hoe duidelijker in het licht treden, dat men het in het geloof niet met een enkelvoudig, maar met een zeer gecompliceerd verschijnsel te doen had. Het was geen© zaak van het verstand alleen, maar ook van den wil; het zetelde niet in één, maar in beide vermogens x); het was notitia in intellectu, consensus in voluntate, amor, desiderium, gaudium in affectibus 2); tal van eigenschappen vallen daarin op te merken 3); tal van werkzaamheden loopen daarin saam, al bepaalt men ze in hoofdzaak tot kennen, toestemmen en vertrouwen, of al kent men onder alle aan de receptio Christi de centrale plaats toe4); het zaligmakend geloof is geen habitus unus et simplex, sed compositus, qui sub unico conceptu comprehendi non potest 6).

Daarom ging Comrie van al de daden en werkzaamheden tot den habitus fidei terug, waardoor wij Christus worden ingelijfd, evenals in den nieuweren tijd Frank in de ervaring der wedergeboorte, Herrmann in het persoonlijke Erlebnis van Jezus' zedelijke grootheid, Ménégoz in de aan de croyances ten grondslag liggende foi hgt beginsel en het wezen zocht van het Christelijk geloof. Het geloof is in de geschiedenis der Reformatie, die zich daarbij aansloot aan de gedachten der H. Schrift, hoe langer zoo meer de naam geworden voor die nieuwe, normale, geestelijke, den ganschen mensch omvattende verhouding, waarin God allereerst (in de regeneratio of fides habitualis) den mensch tot zichzelven, en daarna de mensch (in de fides actualis) met al zijne vermogens en krachten zich tot God stelt. Het valt feitelijk met de onder een bepaald gezichtspunt beschouwde religio subjectiva saam, want deze mag en moet den naam van geloof dragen, wijl ze hier op aarde in al haar eigenschappen en werkzaamheden steeds betrekking heeft op den eeuwigen, almachtigen, genadigen en barmhartigen God, dien wij niet gezien hebben, maar dien wij nochtans, op het getuigenis van Christus, gelooven, ver-

') Maccovius, Loei Comm. bl. 762.

*) Mastricht, Theol. II 1, 8—10.

3) Zie inzonderheid Comrie, Verhandeling van eenige eigenschappen des Zaligmakenden geloofs. Onveranderde uitgave volgens 1744. Leiden Donner z. j.

4) Mastricht, Theol. II 1, 11. Comrie, Het A B C des geloofs. Onveranderde uitgave volgens 1746. Leiden Donner z. j. Zie reeds boven.

*) Turretinus, Theol. El XV, 8 13.

Sluiten