Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tegenover de eene en de andere eenzijdigheid is daarom in overeenstemming met de Reformatorische beginselen staande te houden, dat het geloof en het geloofsleven veel te rijk is, dan dat het in den nudus assensus van het artikel over de vergeving der zonden zou opgaan, maar dat het toch wel waarlijk naar zijn wezen en aard de zekerheid insluit. Deze zekerheid, die betrekking heeft zoowel op de objectieve genade Gods in Christus als op de subjectieve gemeenschap, welke de geloovige daaraan bezit, komt niet van buitenaf aan het geloof toe, maar ligt er in beginsel van den aanvang af in opgesloten, en zij wordt niet verkregen, door op onszelven, maar door van onszelven af op Christus te zien; ze heeft haar grondslag en vastigheid in de beloften Gods, en niet in de wisselende bevindingen of de onvolkomene goede werken. In den geloovige komt zeker telkens allerlei twijfel en vreeze op, Mt. 8 : 25, 14:30, Mk. 9 :24; heel zijn leven door heeft hij daartegen te strijden, maar hij kan dien strijd alleen voeren en in dien strijd alleen overwinnen in de kracht van dat geloof, dat aan Gods belofte zich vastklemt, in het volbrachte werk van Christus rust, en alzoo van nature zekerheid is 1). De verschillende daden des geloofs, zooals kennen, toestemmen, vertrouwen enz. 2), welke van de fructus fidei of bona opera nog weer te onderscheiden zijn, vormen dan ook geene trappen in het geloof, die temporeel op elkander volgen, maar zijn werkzaamheden, die zelve alle en in verband met elkaar zwak of sterk kannen zijn; er zijn kinderen en jongelingen, mannen en vaders in Christus. Maar wie met een waar geloof het Evangelie omhelst, is in dezelfde mate en kracht, waarmede hij dit doet, ook van zijne eigene zaligheid zeker, en omgekeerd; het eene staat met het andere in het nauwste verband en gaat er mede op en neer. Zoo is en blijft het geloof dan naar zijn aard een onbepaald en onvoorwaardelijk vertrouwen des harten op den rijkdom van Gods genade in Christus; het is heden ten dage wezenlijk nog hetzelfde wat het was in den tijd des Ouden en des Nieuwen Testaments, een gelooven tegen hope op hope, Hom. 4:18, een vaste grond der gehoopte en eene besliste overtuiging der ongeziene dingen, Hebr. 11:1, een zeker vertrouwen, dat bij God alle dingen mogelijk zijn, Mark. 10:27, 11:23, 24, dat Hij, die Christus uit de dooden

') Calvijn, Inst. III 2, 17 v. Zanchius, Op. VIII 712 v.

2) Voetius, Disp. II 499—512. Witsius, Oec. foed. III c. 7. Turretinus, Theol. JE1. XIV qu. 8. Comrie, Het A B O des geloofs.

Sluiten