Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opgewekt heeft, Rom. 4 : 24,10:9, nog dooden levend, nog zondaren zalig maakt en altijddoor de dingen, die niet zijn, roept alsof zij waren, Rom. 4 :17.

458. Gelijk het geestelijk leven, in de wedergeboorte ingeplant, onder den invloed van Woord en Geest naar de zijde des verstands zich ontwikkelt tot geloof, kennis, wijsheid, zoo openbaart het zich onder diezelfde voorlichting en leiding naar de zijde van den wil in bekeering. Wanneer men dit woord in den ruimsten zin neemt en er alle zedelijke verandering door verstaat, waardoor een mensch met zijn zondig verleden breekt en het pad der deugd betreedt, dan kan men ook van bekeering spreken bij velen, die het Christendom nooit hebben gekend of daarvan slechts een uitwendigen, oppervlakkigen invloed hebben ondergaan 1). God laat zich toch aan geen mensch onbetuigd, maar doet door natuur en geschiedenis, door hart en geweten eene vocatio realis uitgaan, welke onder alle volken het godsdienstig en zedelijk besef staande houdt. Alle menschen hebben een meer of minder sterk bewustzijn van zonde, schuld en straf, en tegelijk ook van de zedewet en van het goede, waartoe zij verplicht zijn. Ofschoon de Heidenen de wet van Mozes niet kennen, doen zij toch van nature de dingen die der wet zijn en betoon en daarmede, dat het werk der wet in hunne harten geschreven is; hun eigen geweten legt daarvan mede getuigenis af, en de gedachten en redeneeringen, welke zij onder elkander houden, zijn er het klaarste bewijs van, want ze zijn allen van beschuldigenden of ook van ontschuldigenden aard, Rom. 2:14, 15. Diep is dikwerf de blik, dien de Heidenen in 's menschen zieleleven slaan. Men had een helder besef van het berouw, den spijt, de wroeging, waardoor de zondige daad gevolgd wordt, en personifieerde die in de Erinyen (Furiƫn), die inzonderheid door Aeschylus op aangrijpende wijze geschilderd worden. Sua quemque fraus et suus terror maxime vexat; suum quemque scelus agitat amentiaque afficit; suae malae cogitationes conscientiaeque animi terrent2). Maar men wist ook, dat aan de bekeering van een zondig tot een deugdzaam leven het

') Pfanner, Syst. Theol. gent pur. c. 13, en anderen, genoemd door Fabricius in zijne Bibliographia antiquaria, bij M. Vitringa, Doctr. III 116.

2) Cicero, pro Roscio Am. c. 24, verg. F. F. C. Fischer, De Deo Aeschyleo. Amstelod. 1892 bl. 62 v. B. Mulder, De conscientiae notione, quae et qualis fuerit Eomanis. L. B. 1908.

Sluiten