Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bekeering door te dringen en krachtens hare willekeurig aangenomen „Voraussetzungslosigkeit" den maatstaf mist, waarnaar zij de psychologische verschijnselen, die zij als bekeeringen stempelt, onderscheiden en beoordeelen kan; en dat eindelijk de Schrift ons een zeer bepaald en duidelijk begrip van de bekeering aan de hand doet1).

Om dit begrip te vinden, moet men wel van de woorden uitgaan, die in onze taal door bekeering vertaald zijn, maar daarbij toch niet blijven staan. Want wat wij met den naam van bekeering aanduiden, wordt in de Schrift niet alleen met woorden uitgedrukt, maar ook op andere wijze beschreven en tevens in leerrijke voorbeelden ons voor oogen gesteld. De meest gebruikelijke woorden zijn in het oude Testament Dn: en ava. Het eerste sna, beteekent: berouw hebben, berouwen, en wordt geconstrueerd met b?, bs* of ■>3, van de zaak, waarover men berouw heeft; het wordt van menschen, Richt. 21: 6, 15, Job 42 : 6, Jer. 8:6, 31: 19, maar vooral zeer dikwerf van God gebruikt, Gen. 6:6, 7, Ex. 32:12, 14, Dt. 32 : 36, Richt. 2 : 18, enz., al wordt elders ook alle berouw aan Hem ontzegd, Num. 23:19, 1 Sam. 15:29. Het substantivum üns komt maar eenmaal voor, in Hos. 13:14. Het andere woord, nrii, beteekent eerst: zich wenden, op een weg omkeeren, terugkeeren, en dan overdrachtelijk zich van eene of andere werkzaamheid afwenden, iets ophouden te doen, bijv. zich afwenden van, de zonde, 1 Kon. 8:35, de ongerechtigheid, Job 36:10, de overtreding, Jes. 59:20, de goddeloosheid, Ezech. 3:19, de booze werken, Neh. 9 :35, enz. De richting, waarnaar men zich dan toekeert, wordt door de praepositie bis aangeduid, bijv. tot den Heere, Ps. 51:15, Jes. 10:21, Jer. 4:1, Hos. 14: 3, Am. 4:8, Mal. 3 : 7 enz. Maar evenmin als het woord on:, wordt dit woord mui steeds gebruikt van wat wij in de dogmatiek bekeering noemen; want het wordt niet alleen op God toegepast, om uit te drukken, dat Hij zich ergens van afwendt, bijv. van zijn toorn, Ex. 32 :12, van zijn voornemen, om te straffen, Jer. 4:28, maar het duidt soms bij menschen ook aan, dat zij zich van den Heere afkeeren en tot de afgoden toewenden, Jos. 22 :16, 18, 23, Richt. 2: 19. Het subst. nyron komt in het Oude Test. zelfs nooit in religieus-ethischen zin voor, maar behoudt doorgaans zijne letterlijke beteekenis van terugkeer, 1 Sam. 7 :17, 2 Sam. 11: 1 enz., en neemt soms die van antwoord aan, Job 21:34, 34:36; in Hos. 11: 7 drukt het zelfs de afkeering of afval van den Heere

') Verg. deel III. 675 v.

Sluiten