Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan zijne discipelen stelt, dat zij zich veranderen moeten en worden als een kind, Mt. 18:3, dat ze alles moeten verlaten, zichzelven verloochenen, hun leven verliezen, het kruis opnemen, om zijner waardig te zijn, Mt. 10: 37v., 16:24v.; als Hij ten slotte, om niet meer te noemen, in de gelijkenis van den verloren zoon ons vooi de oogen schildert, hoe deze door gebrek en ellende tot zichzelven komt, opstaat, tot den Vader gaat en met schuldbelijdenis tot Hem wederkeert. Evenzoo is bij Paulus betrekkelijk zelden van bekeering sprake, Rom. 2 : 4, 2 Cor. 7 : 9, 10, 1 Thess. 1:9, 2 Tim. 2: 25, maar ze ligt bij hem opgesloten in het sterven, gekruisigd en begraven worden, benevens in het opgewekt worden tot een nieuw leven, dat de geloovige in de gemeenschap met Christus deelachtig wordt, Rom. 6: 3v., Gal. 2: 19, 20, in het afleggen van den ouden en het aandoen van den nieuwen mensch, Ef. 4.22 -4, Col. 3 9, 10, in het dooden der leden op aarde, Col. 3 : 5, in de kruisiging d'es vleesches, Gal. 5:24, in het wederstaan van de listige verleidingen des duivels, Ef. 5 :11, en in het wandelen naar den Geestr Rom. 8:3, in het leven voor God door Christus Jezus, den Heere, Rom. 6:11, en in het stellen van alle leden Gode tot wapenen

der gerechtigheid, Rom. 6:13 enz.

Daarbij komt nog, dat de H. Schrift niet alleen in verschillende bewoordingen van bekeering spreekt, maar ze ook menigmaal in de levensgeschiedenis van onderscheidene personen beschrijft en aanschouwelijk ons voor oogen stelt. Daarbij is echter in aanmerking te nemen, dat de Schrift tusschen bekeering en bekeering onderscheid maakt. Paulus maakt in 2 Cor. 7 :10 melding van eene droefheid naar God, die eene onberouwelijke bekeering werkt tot zaligheid, en van eene droefheid naar de wereld, die den dood werkt. Deze laatste is eene droefheid, die niet naar God, overeenkomstig zijn wil is, niet uit de kennis van God en van zijne wet voortvloeit, maar die der wereld is en ook in de kinderen der wereld vallen kan. Ze gaat niet over de zonde als zonde, wijl ze God vertoornt, maar over eene bepaalde zondige daad en hare gevolgen.

Als een mensch bijv. aan eene of andere misdaad zich heeft schuldig

gemaakt en dan niet bereikt, wat hij ervan verwacht had, maar integendeel zijn geld, zijn goed, zijn eere, zijn naam en positie daarbij verloren heeft en met schande zich overdekt ziet, dan gaan niet zelden zijne oogen open, aanschouwt hij zijne ellende en voe hij zich aangegrepen door berouw, door spijt, door zelfverwijt, dat hij deze jammerlijke daad heeft gepleegd. Dit berouw kan dan som*

Sluiten