Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hunne zonden, Mt. 3: 6, aan Nathanael, Joh. 1:46 v., Levi, Mt. 8 : 9, Zacheus, Luk. 19 : 8, den blindgeborene, Joh. 9 : 38, de Samaritaansche vrouw Joh. 4:29, 39, den moordenaar aan het kruis, Luk. 23:42, aan de drie duizend zielen, die op het Pinksterfeest werden toegebracht, Hd. 2:37 v., aan den Moorman, Hd. 8: 3r, Paulus, Hd. 9 : 6, Cornelius, Hd. 10 : 44 v., Lydia, Hd. 16 :14, den stokbewaarder te Philippi, Hd. 16 :30 v. enz.

In al deze berichten is er groote overeenstemming; de bekeering bestaat altijd in eene inwendige zinsverandering, welke hetzondig verleden in het licht van Gods aangezicht doet zien, tot droefheid, leedwezen, verootmoediging, schuldbelijdenis leidt, en ook innerlijk en uiterlijk de aanvang van een nieuw godsdienstig-zedelijk leven wordt. Maar bij die overeenstemming is er toch ook eene groote verscheidenheid in de omstandigheden, waaronder, de tijd en wijze waarop, de aanleiding, waarnaar de bekeering plaats grijpt. Nu eens was een wonder, Hd. 5:14, 9:35, 13:12, 19:17, dan een uitvoerig Schriftbewijs, Hd. 8: 35, 17 : 3, 18 : 28, of ook de eenvoudige prediking van het geloof in Christus, Hd. 16 : 31, het middel, waarvan God zich bediende, om de bekeering in het hart te werken. Van meer beteekenis is nog het verschil in bekeering bij de Joden en de Heidenen; de Joden kenden den eenen en waarachtigen God, en velen van hen, die later in Christus geloofden, waren reeds lang vóór dien tijd de wedergeboorte en bekeering deelachtig. Maar zij verkeerden soms langen tyd in twijfel, of de historische persoon van Jezus de Messias was, die aan de vaderen was beloofd. Enkelen zagen en geloofden dat terstond, zooals Simeon, die eene openbaring ontvangen had, Luk. 2:26, en Anna, die eene profetes was, Luk. 2 :36; maar anderen twijfelden, of werden soms weer, als een Johannes de Dooper, Mt. 11:2 v., in hun geloof geschokt; Paulus inzonderheid ergerde zich aan het kruis en kon en wilde niet gelooven, dat de gehangene aan het hout, de gevloekte door God en menschen, dat de gekruisigde Jezus de eengeboren Zoon des Vaders en de Zaligmaker der wereld was. Hunne bekeering bestond dus niet daarin, dat zij een anderen God leerden kennen en dienen, maar hierin dat zij Jezus als den Messias erkenden, in Hem de vervulling zagen van wet en profetie, en daaruit de gevolgen trokken, die er ten aanzien van de gansche Oudtestamentische bedeeling des genadeverbonds uit voortvloeiden.

Daarentegen droeg de verandering, die bij de bekeering der Heidenen plaats greep, een gansch ander karakter. Dezen verkeerden toch vóór

Sluiten