Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dien tijd niet in het genade verbond, maar wandelden in hunne eigene wegen, Hd. 14: 16; zij waren in dien tijd zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israels, vreemdelingen van de verbonden der belofte, geene hope hebbende en zonder God in de wereld, Ef. 2 :12; en ze maakten zich tevens aan allerlei schrikkelijke zonden schuldig, afgoderij, hoererij, ontucht, dronkenschap enz., 1 Cor. 6:10, 11. De bekeering bestond dus bij de Heidenen niet bloot in eene erkenning van Jezus als den Christus, maar ze was ook eene bekeering van de ijdele dingen tot den levenden Cod, Hd. 14:15, 15 :19, 26:20, 1 Thess. 1:9, en sloot eene volkomene breuke met heel het vroeger godsdienstig-zedelijk leven in. Voorts verhaalt de Schrift ons wel van vele bekeeringen, die op later leeftijd en soms plotseling plaats grepen; maar zij weet ook van zulke personen, als Samuel, 1 Sam. 2 : 26, Jeremia, Jer. 1: 5, Johannes, Luk. 1: 80, Timotheus, 2 Tim. 3: 15, die van der jeugd aan in de Schriften onderwezen waren en in de vreeze Gods gewandeld hebben; zelfs wordt van de kinderen des verbonds gezegd, dat hunner het koninkrijk der hemelen is, Mt. 19:14, dat hun met hunne ouders de belofte toekomt, Hd. 2 :39, en dat zij in den Heere, dat is in de gemeenschap met Christus, aan hun vader en moeder gehoorzaam moeten zijn, en door hen in de leering en vermaning des Heeren moeten opgevoed worden, Ef. 6:1, 4. Van de gedoopten wordt dan ook in het Nieuwe Testament nooit gezegd, dat ze later bekeerd zijn; de bekeering slaat altijd op zulken, die uit Joden of Heidenen tot de gemeente overkwamen en door den doop, als teeken en zegel van die bekeering, werden ingelijfd. Het Nieuwe Testament bevat niet de geschiedenis van de gevestigde kerk, maar van de stichting der kerk in de toenmaals bekende wereld.

Ten slotte dient nog opgemerkt te worden, dat de H. Schrift in enkele bijzondere gevallen toch ook bij geloovigen nog wel van bekeering spreekt. Geloovigen toch bereiken hier op aarde de volmaaktheid niet; zij struikelen allen in velen, Jak. 3:2; en als zij zeggen, geene zonde te hebben, verleiden zij zichzelven, 1 Joh. 2 : 8. Daarom hebben zij den strijd tegen de zonde voort te zetten tot het einde van hun leven toe, en vruchten voort te brengen, die der bekeering waardig zijn en aan haar beantwoorden, Mt. 3:8, Luk. 3 :8, Hd. 26 : 20. De eerste, principiƫele bekeering moet zich dus voortzetten in eene het gansche leven omvattende, tot den dood toe voortgaande bekeering. En dat niet alleen. Geloovigen kunnen ook afdwalen, in groote zonde vallen, en daarin zelfs een

Sluiten