Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zich verbinden, om daarnaar te leven en te wandelen. En over de leden der gemeente werd in den eersten tijd een nauwkeurig toezicht en eene strenge tucht geoefend. Maar hier deden zich spoedig allerlei moeilijkheden voor. De gedachte was algemeen, dat de doop, als teeken en zegel der eerste bekeering, alleen de vóór dien tijd begane zonden vergaf, en op de latere geene betrekking had; vandaar dat velen den doop zoo lang mogelijk uitstelden. Toen echter de kerk gevestigd was en zich meer uit hare eigene leden, dan door toetreding van buiten, voortplantte en in verband daarmede de kinderdoop algemeene toepassing vond, werd natuurlijk dit uitstellen van den doop onmogelijk en ging het meer en meer eene uitzondering vormen.

TV at nu de zonden aangaat, die door de geloovigen later na den doop bedreven werden, men kon natuurlijk niet verwachten, dat deze geheel en al zouden ophouden; de apostelen hadden daartoe te sterk gesproken, dat wij allen in velen blijven struikelen en dat degenen, die zeggen geene zonde te hebben, zichzelven verleiden. Maar men koesterde toch de hoop, dat de geloovigen zich van grove zonden onthouden en voortdurend in heiligmaking zich oefenen zouden J). Dit maakte eene onderscheiding tusschen kleine en groote, lichte en zware zonden noodzakelijk, welke in vele gevallen moeilijk aan te wijzen was, maar die in de practijk langzamerhand zoo werd uitgewerkt, dat men bij de eerste aan allerlei dagelijksche overtredingen dacht (onwaarheid spreken, nijd, afgunst, twisten, bedriegerijen, kwaadsprekingen, kleinere oneerlijkheden in het bedrijf enz.) en bij de tweede aan zeldzame, openbare, ergernis-gevende misdaden (moord, roof, bedrog op groote schaal, echtbreuk, kindermoord, giftmengerij, apostasie, afgoderij, tooverij enz.). Maar voorts werd men ook in zijne verwachting teleurgesteld, dat de Christenen zich aan deze zware zonden nooit zouden schuldig maken. Integendeel, zulke gevallen kwamen langzamerhand in grooter getale ook in de gemeente voor. De strenge partij wilde nu zulke ergerlijke leden eenvoudig door den ban voorgoed uit de gemeente wegdoen en hun nimmer meer de gelegenheid bieden tot terugkeer en wederopneming. Montanus en Novatianus trachtten omstreeks het midden der tweede eeuw deze practijk weder te herstellen. Doch van den beginne af waren er anderen, die zachter

') Verg. Kirsup Lake, Zonde en Doop, Theol. T. 1909 bi. 538—554. H. Windisch„ Jaufe und Sünde im altesten Christ. bis auf Origenes. Tiibingen 1908 (waarbij men echter raadplege de recensie van Kunze, Theol. L. Blatt 1909 col. 244—250, en vooral van Wernle, Th. L. Zeitung 1909 col 586—590).

Sluiten