Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en meer eene zeldzaamheid, die het karakter van gemeentelijke tucht schier geheel verloor en nog slechts als een maatregel van openbare rechtspraak dienst deed.

Daarnaast werd, naarmate de poenitentia lapsorum in het geheel niet of slechts zelden toegepast werd en de wereld in de kerk binnendrong, door ernstige mannen, door monniken als Cassianus, door pausen als Gregorius, te sterker op de poenitentia fidelium de nadruk gelegd. Onder deze werd ook wel, en langen tijd zelfs nog alleen de schuldbelijdenis voor God in de eenzaamheid verstaan. Maar van ouds leefde de gedachte, dat de geloovige voor zijne peccata venialia zelf te boeten, straf te dragen, goede werken te doen had, en zoo alleen de vergeving verwerven kon. De vertaling van de Grieksche woorden utravoia en fiszavoeiv door poenitentia en poenitentiam agere werkte deze opvatting in de hand, want poenitentia sloot het denkbeeld van poena in, en het poenitentiam agere bevorderde de gedachte van een doen. Daarbij kwam, dat in de poenitentia lapsorum de kerk (de bisschop) de straf oplegde en de verzoening uitsprak, dat de monniken in de kloosters menigmaal tot belijdenis hunner overtredingen voor den overste werden verplicht, dat de Iersch-Schotsche kerk vrijwillige belijdenis voor den priester aanbeval. Dientengevolge kwam het belijden der zonden voor den priester sedert den tijd der Karolingen in de Frankische kerk meer en meer in gebruik, en werd dit vooral in den vastentijd en vóór het genieten van het avondmaal als een bewijs van vroomheid beschouwd. Zoodra de geloovige zijne zonden voor een priester beleden (gebiecht) had, ontving hij dus de absolutie, de vergeving van de schuld zijner zonden om Christus' wil. Maar hij bleef verplicht tot het volbrengen der boete of straf, welke de priester hem tegelijkertijd oplegde. Daardoor werd het weer noodzakelijk, om tusschen de reatus culpae en de reatus poenae te onderscheiden x); de priester deelde terstond na de belijdenis der zonden de vergeving uit, maar hij moest toch eene aan de zwaarte der beleden zonden evenredige penitentie (gebeden of andere goede werken) opleggen, opdat de biechteling zich daardoor innerlijk vrijmaken zou van de macht der zonde. Wijl deze penitentie in den regel niet volkomen in dit leven te volbrengen was, moest het tekort hiernamaals door het lijden in het vagevuur worden aangevuld.

') Verg. deel III 173

Sluiten