Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werd. Vooral Alexander Halesius was de theoloog, die deze gansche aflaatspractijk dekte met de theorie, dat de kerk in het bezit was van een schat van overtollige verdiensten, door Christus en de heiligen verworven, en daarvan uitdeelen kan aan degenen, die in hunne penitentie te kort kwamen. De Roomsche kerk veroordeelde te Trente de misbruiken wel, die er bij den aflaathandel waren ingeslopen, maar hield den indulgentiarum usus, als christiano populo maxime salutarem, met alle beslistheid in stand *); gegen die Sitte, zegt ook een Roomsch geleerde, den Befördern gemeinnütziger Werke Ablasse zu erteilen und auf diese Weise den Ablass mit Geldspenden zu verbinden, ist grundsatzlich nichts einzuwenden 2).

Men dient billijkheidshalve bij dit Roomsche boetesacrament in het oog te houden, dat de satisfactio operis en evenzoo de aflaat niet dient, om voor den geloovige, die eene zware zonde beging, de vergeving harer schuld, of m. a. w. de kwijtschelding der eeuwige straf te verwerven, want deze is door Christus verworven en wordt den biechteling na contritio cordis en confessio oris reeds in de absolutie geschonken; de satisfactio operis bestaat alleen in het dragen der tijdelijke straffen, die hij door zijne zonde verdiend heeft, en waarvan hij dan door middel van een aflaat weer vermindering of verkorting bekomen kan 3). Maar de fijne distincties, waaraan de Roomsche dogmatiek en moraal zoo rijk is, dringen dikwerf zeer weinig tot het bewustzijn van het volk door en zijn veel te subtiel, om het leven te beheerschen. Boete en aflaat bevorderen door hunne

*) Conc. Trid. sess. 25 cont., decretum de indulgentiis.

*) N. Paulus bij Buchberger, Kirchl. Handlexikon I 21. Overigens is de oversprong van de aflaten nog niet ten volle opgehelderd. Sommigen zoeken dien meer in het vroegere boetewezen, anderen meer in de propaganda der pausen van den heiligen oorlog tegen Saracenen, Noormannen, Mooren, en van de kruistochten naar Palestina. Verg. o. a. Nik. Paulus, Johann Tetzel der Ablassprediger. Mainz 1899. Anton Kurz, Die kath. Lehre vom Ablass vor und nach dem Auftreten Luthers. Paderbom 1900. Beringer, Die Ablasse, ihr Wesen und Gebrauch. Handbuch für Geistlichem und Laien. Paderborn 1900. Gottlob, ICreuzablass und Almosenablass (Kirchenr. Abh. Heft 30—31.) Stuttgart Enke 1906. Brieger art. Indulgenzen in PEE' IX 76—94. H. Boehmer, Luther im Lichte der neueren iorschung*. Leipzig 1910 bl. 67 v. M. A. Gooszen, Jubeljaar en .Jubelaflaat, Theol. T. 1903 bl. 97—110 enz. Oudere litteratuur bij M. Vitringa, Doctr. III140—152.

*) De definitie van den aflaat is dan ook gewoonlijk deze: indulgentia est remissio poenae temporalis peccatis debitae, in foro Dei valida per applicationem ex thesauro ecclesiae, verg. bijv. Oswald, Die dogm. Lehre v. d. h. Sakr. der kath. Kirche2. Münster 1864 II 201.

Sluiten