Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij nu de gevolmachtige uitdeeler van de door Christus verworven weldaad der vergeving; sedert de twaalfde eeuw ging dan ook de vroegere, en nog steeds in de Grrieksche kerk gehandhaafde, deprecatorische formule in de declaratorische: ego absolvo te, over 1). De absolutie in het boete-sacrament draagt dus bij Rome een absoluut karakter. Toch is dit meer schijn dan werkelijkheid. Want ten eerste kan de biechtvader niet over het hart oordeelen, en kan hij de absolutie niet uitspreken dan in de onderstelling, dat de biechteling in zijn berouw en belijdenis oprecht is geweest; en ten andere is het: ego absolvo te, toch altijd, zooals de theologen het noemen, een judicium mixtum; het is eenerzijds eene solutio van de zonde (haar schuld en eeuwige straf) maar andererzijds eene ligatio met de tijdelijke straf. De priester spreekt zijn biechteling eigenlijk alleen vrij „unter Voraussetzung der zu leistenden zeitlichen Genugthuung"; hij zal eerst waarlijk vrij zijn, ,,sobald

er die vorbehaltene Strafe zur Genugthuung abgetragen

haben wird 2); de satisfactio operis behoort om die reden ook niet tot de essentia, maar tot de integritas sacramenti; zij is eene pars integrans sacramenti.

Heel de ontwikkeling van het boetewezen ontving bij Rome daarin haar eindpunt, dat de poenitentia eerst door theologen als Hugo van St. Victor en Lombardus en daarna door het concilie te Florence 1439 onder het zevental sacramenten opgenomen werd. Het heilig sacrament der boete (zóó spreekt Rome, en niet van heilige boete, ofschoon doop en avondmaal wel zoo heeten) is een tweede doop, maar met het oog op de satisfactio operis een baptismus laboriosus, eene secunda post naufragium tabula, het eenige en volstrekt noodzakelijke remedium voor degenen, die de in den doop ontvangen heiligmakende genade door eene doodzonde verloren hebben, maar ook nuttig en goed voor allen, die zich slechts aan peccata venialia schuldig maken, en dus overeenkomstig den canon van het vierde Lateraanconcilie door ieder geloovige

') ï"a: ego te absolvo, ostendunt, peccatorum remissionem hujus sacramenti administratione ejjici, Catech. Rom. II 5 qu. 13, 2,15.

2) Oswald, Die dogrn. Lehre v. d. h. Sakr. der kath. Kirche2 1864II102. Verg. Conc. Trid. sess. XIV c. 5: si erubescat aegrotus vulnus medico detegere, quod ignorat, medicina non curat. Over de woorden en de beteekenis der absolutie was en is er nog allerlei verschil, tot zelfs over de geldigheid, indien ze iemand WDrdt bekend gemaakt per telefoon, C. Pesch, Prael. dogm. VII1900 bi. 116—131. Pohle, Dogm. III4 436.

Geref. Dogmatiek IV. JQ

Sluiten