Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

minstens eenmaal 'sjaars te gebruiken1). Van den doop is voorts de boete vooral in dit opzicht onderscheiden, dat de priester daar uitsluitend als priester optreedt, die in Christus' naam alle zonden en alle straffen volkomen kwijtscheldt; maar hier fungeert hij ook als rechter, die eerst door middel van de biecht kennis neemt van de begane overtredingen, deze dan aan de hand van libri poenitentiales naar hare strafwaardigheid schat, vervolgens de mate der daaraan evenredige tijdelijke straffen bepaalt, en eindelijk, in de verwachting, dat de biechteling deze gewillig en volkomen dragen zal, eene in den vorm absolute vergeving uitdeelt. De boete is dus bij Rome een geestelijk gerechtshof, en de handeling van den priester eene rechtelijke daad, actus judicialis 2).

462. Gelijk reeds vroeger werd opgemerkt 3), nam de Reformatie bij de oppositie tegen het Roomsche boetewezen haar aanvang. Luther ontdekte weder de Schriftuurlijke beteekenis der psravout

>) pit concilie, onder Innocentius III in 1215 gehouden, stelde in can. 21 vaat: Omnis utriusque sexus fidelis, postquam ad annos discretionis pervenerit, omnia sua solus peccata confiteatur fideliter, saltem semel in anno, proprio sacerdoti. Verg. Conc. Trid. sess. XIV c. 5. can. 6. Catech. Rom. II c. 5 qu. 32 v. Bellarminus, de poenit. lib. 3. De Grieksche kerk spreekt van vier malen 's jaars,

Conf. orthod. p. 164.

■) Van de rijke litteratuur over de poenitentia zij genoemd: het waarschijnlijk uit de elfde eeuw afkomstige en ten onrechte aan Augustinus toegekende geschrift de vera et falsa poenitentia (cf. Loofs, Dogmengesch*. bl. 488 v.) Lombardus, Sent. IV dist. 14—22, en commentaren op deze sententiae van Thomas enz. Thomas, S. Theol. III qu. 84—90. Suppl. qu. 1—28. c. Gent. IV c. 70—72. Conc. Trid. sess. XIV. Catech. Rom. II c. 5. Bellarminns, de poenitentia (Controv. III Colon. 1615 bl. 376—482, cf. ook de indulgentiis, Controv. II 436—481). Perrone, Prael. theol. Lovan. 1841 VII 365—479 en de indulgeutiis VIII 1—48. C. Pesch, Prael. dogm. VII. Friburg 1900 bl. Pohle, Dogm. III' 1910 bl. 382—524. Jansen, Prael.

theol. III 597 743 enz. Over de geschiedenis van het boetewezen handelen

o. a. Petavius, de poenitentiae vetere in ecclesia ratione diatribe, Opus de theol. dogm. VIII 407—673 (Paris. 1870). Buchberger, Die Wirkungen des Busssakramentes nach der Lehre des h. Thomas v. A. Mit Rücksichtnahme auf die Anschauungen anderer Scholastiker dargestellt. Freiburg 1901. Jos. Gartmeier, Die Beichtplicht, hist. dogm. dargestellt. Regensburg 1905. P. Schmoll, Die Busslehre der Frühscholastik. München 1909, cf. de beoordeeling van Karl Muller, Theol. Lit. Z. 1910 col. 77—80. Deze verdedigt zich daar tevens tegen Loofs, die in zijne Dogmengesch*. § 29, 45, 59 enz. eene andere voorstelling van de ontwikkeling der boete geeft, en voorts eene gansche reeks van werken over dit onderwerp opsomt.

3) Deel III 586 v.

Sluiten