Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bevestigen? Kan er ook bij gevallenen nog eene bekeering voorkomen, of is de terugkeer voor hen afgesneden? Welke eindelijk is de vracht der bekeering; gaat de bekeering aan de vergeving der zonden vooraf, of volgt zij er op? En indien het eerste, hoe gaat zij er dan aan vooraf, als middel, als voorwaarde, als verdienstelijk werk? "Waartoe is zij in het geheel noodig, als Christus alles volbracht en de gansche zaligheid verworven heeft?

Om op al deze vragen een antwoord te geven, is eene duidelijke bepaling van wat onder bekeering verstaan wordt onmisbaar. In de H. Schrift heeft het woord nu eens ruimer, dan enger beteekenis; soms sluit het de wedergeboorte, het geloof en de gansche vernieuwing des menschen in, soms wordt het geloof er zeer duidelijk van onderscheiden; van bekeering is er sprake bij den aanvang van het nieuwe leven, bij den overgang inzonderheid uit het Joden- of Heidendom tot het Christendom, maar ook wel bij den voortgang ■en het herstel des nieuwen levens; en terwijl nu eens meer de inwendige verandering des gemoeds op den voorgrond treedt (in het woord ,tisravoia), valt dan weer sterker de nadruk op den uitwendigen omkeer, die daarvan het gevolg en de openbaring is {in het woord sniavQoipri). In de Christelijke kerk werd spoedig eene drieërlei poenitentia onderscheiden, catechumenorum, fidelium en lapsorum. De bange zielservaring, welke Luther doorgemaakt had, deed hem bij dit woord vooral denken aan den schrik der consciëntie en de vreeze voor het oordeel, welke door de wet gewerkt wordt en aan het geloof voorafgaat. Maar hij zag zelf in en sprak het ook meermalen uit, dat dit berouw, hetwelk ook in zulken vallen kon, die nooit tot bekeering kwamen, niet het waarachtige, hartelijke leedwezen was, hetwelk uit het geloof voortkomt en heel het leven voortduren moet. Dientengevolge werd inzonderheid door de Gereformeerden tusschen fisrafisksia en f.isravoia, tusschen poenitentia en resipiscentia, tusschen berouw en bekeering onderscheid gemaakt, niet in graad slechts, doch in beginsel en wezen. Zoo werd het begrip der bekeering reeds naar ééne zijde begrensd; ze valt niet vóór en buiten maar binnen het nieuwe leven, vloeit voort uit het geloof en wortelt in de wedergeboorte (in engeren zin).

Doch ze ontving allengs nog eene andere afbakening. Eerst werd het woord in de Gereformeerde theologie, evenals in de H. Schrift, zeer dikwerf nog ruim voor de gansche verandering eens menschen genomen, van den aanvang af tot aan het einde toe; bekeering sloot dan wedergeboorte, geloof, voortgaande vernieuwing

Sluiten