Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

goede werken te leven. De waarachtige bekeering bestaat dus niet in eene moreele levensverbetering, in een breken met eene of andere grove zonde, en een zich schikken tot deugd. Doch ze is een volstrekte omkeer op den levensweg, eene princieële breuke met de zonde, omdat zij zonde is. Dat kan de bekeering echter slechts wezen, wanneer zij in de eerste plaats een religieus karakter draagt, dat is, wanneer wij de zonde hebben leeren kennen, gelijk God ze ziet, bij het licht van zijne heilige wet, gelijk ze Hem onteert en vertoornt. Daaruit vloeit dan haar ethische aard als vanzelve voort. Want wie de zonde zóó leert kennen, als zonde in Gods oog, die kan ze niet liefhebben, maar haat en vliedt ze, maakt er door ootmoedige schuldbelijdenis zich los van, en ontvangt een innigen lust en liefde tot het goede, dat is tot een leven overeenkomstig Gods wil. De ware bekeering omvat dan ook den ganschen mensch, zijn verstand, zijn hart, zijn wil, zijne ziel en zijn lichaam; ze doet hem over heel de linie heen met de zonde breken, en stelt zijn ganschen persoon en leven in Gods weg en dienst. Met name valt in de bekeering de nadruk op den wil; geloof en bekeering komen beide op uit de wedergeboorte, ze wortelen beide in het hart; maar terwijl het geloof van daaruit meer naar de zijde des bewustzijns werkt en de vergevende genade Gods in Christus zich toeeigent, oefent de bekeering hare werkzaamheid meer uit in de sfeer van den wil en wendt dezen van het kwade af en naar het goede heen. Gelijk echter verstand en wil een gemeenschappelijken wortel hebben in het hart van den mensch, nooit gescheiden zijn maar voortdurend op elkander inwerken; zoo is het ook met geloof en bekeering. Zij blijven steeds met elkander in verband staan, en steunen en bevorderen elkaar.

463. Ofschoon de waarachtige bekeering in wezen steeds een en dezelfde is, vertoont zich toch in de wijze, waarop, en den tijd, waarin zij plaats grijpt, allerlei verschil. Toen het Christendom zijne intrede in de wereld deed, moesten Joden en Heidenen, die zich bij de gemeente wenschten aan te sluiten, ieder op hunne wijze, breken met den godsdienst, waarin zij geboren en opgevoed waren. De Jood had te erkennen, dat vleeschelijke afstamming van Abraham, besnijdenis, tempel- en offerdienst enz. hunne beteekenis hadden verloren; en de Heiden moest zijn afgoderij, beeldendienst, offermaaltijden, bijgeloovige en onzedelijke practijken vaarwel zeggen en den levenden God gaan dienen. Wijl er aan dezen overgang in den regel geen

Sluiten