Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eer of voordeel, maar integendeel veel smaad en schande, veel vervolging en verdrukking verbonden was, bestond er weinig gevaar, dat men uit bij-oogmerken zich doopen en in de gemeente zich opnemen liet; de èmarQoyrj was over het algemeen een duidelijk teeken en bewijs van innerlijke fxsravoia. Toch was er van den beginne af ook kaf onder het koren; in den apostelkring bevond zich reeds een Judas; Simon te Samaria zocht de gave Gods door geld te verkrijgen, Hd. 8 : 20, en Johannes enPaulus klagen over broederen, die de gemeente

verlaten en de tegenwoordige wereld wederom lief gekregen hebben,

1 Joh. 2 :19, 1 Tim. 1: 20, 2 Tim. 2 : 18. 20, 4:10. Toen de kerk van Christus later tot macht en eere kwam, hadden er telkens overgangen plaats, die niet uitwaarachtige bekeering, maar uit allerlei menschelijke berekeningen en overwegingen voortkwamen. Men behoeft daarbij volstrekt niet altijd te denken aan bewuste huichlarij, opzettelijk bedrog,

weloverlegde eerzucht of winstbejag; maar als een nieuwe godsdienst

optreedt, de ijdelheid van den ouden godsdienst in het licht stelt, en vele bekeerlingen maakt, zijn er altijd anderen, die volgen en zonder innerlijke overtuiging bij de nieuwe beweging zich aansluiten. Dat verschijnsel deed zich van den aanvang af bij de uitbreiding van het Christendom onder de volken van Europa voor, en het herhaalt zich tot den huidigen dag toe op het gebied van de zending.

"Wanneer wij de wijze, waarop Paulus, Augustinus, Luther tot bekeering kwamen, tot maatstaf nemen en dezen aanleggen aan de bekeeringen, waarvan de zending verhaalt, dan zien wij ons, enkele uitzonderingen daargelaten, zeer droef teleurgesteld. De motieven der bekeering, die tot onze kennis komen, zijn dikwerf zoo gansch andere, dan die wij verwacht hebben of wenschen zouden. De een neemt het Christendom aan, omdat op eene of andere wijze de onmacht der goden, die hij tot dusver diende, aan het licht is getreden; een ander, omdat het hem verlost van de vreeze en den angst, waarin het geestengeloof en de toovenj hem

gekneld hield; een derde voelt zich aangetrokken door de schoonheid

van de Heilige Schrift, door den eenvoud van de Bergrede, door het ethisch gehalte van het Evangelie, door het verheven beeld van Christus; en een vierde volgt, omdat andere personen, die hij liefheeft, en in wie hij vertrouwen stelt, zijn voorgegaan. Soms komt het voor, dat geheele groepen of stammen plotseling hun afgodsbeelden verbranden en het Christendom aannemen, dat jarenlang schijnbaar vruchteloos onder hen gepredikt was. Er heerscht in vele Christelijke kringen aangaande werking en vrucht der zending

Sluiten