Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

iisque resipiscendum1). In elk geval weet de Christen bij ondervinding, dat de zonde, naarmate zij beter in haar eigenlijk karakter gekend wordt, des te dieper smart en leedwezen veroorzaakt. Oprechte, innige schuldbelijdenis wordt niet van de lippen der goddeloozen, maar van die der vromen beluisterd. Psalmisten, 6, 25, 32, 51, 130, 143, profeten, Ezr. 9 : 6, Neh. 9 : 33, Klaagl. 3 : 39, Jes. 53 : 4 v., 59 :12, Jer. 3 : 25, 14: 20, Dan. 9 : 5 v., en apostelen, Mt. 26: 75, Rom. 7 : 14 v., 1 Joh. 1:8, 9, leveren daarvan het klare bewijs. En al neemt de droefheid met de kennis der zonde en het opwassen in de genade in diepte en innigheid toe, zij is toch van den aanvang af aan de bekeering eigen en maakt de keerzijde van de vernieuwing des levens uit, Luk. 15 :18, 18: 13, Hd. 2 : 37, 9:6, 16 : 30, 2 Cor. 7 :10. Er is daarmede echter niets vastgesteld over de mate en den duur van die droefheid, noch ook over den tijd, waarin zij optreden moet. In de vrome kringen heerscht daarover dikwerf groot misverstand en wordt er al te veel waarde aan gehecht, dat men den tijd van zijne bekeering nauwkeurig wete, een tijd lang in grooten angst en vreeze verkeerd hebbe en daaruit op eene bijzondere of wonderdadige wijze verlost is geworden. Maar de Schrift legt zulk een maatstaf niet aan, en eischt alleen, dat er oprechtheid en waarheid in het binnenste zij; de droefheid over de zonde moet van den echten stempel zijn. God, die de harten kent en de nieren proeft, Ps. 7 : 10, Spr. 17 :3, 21: 2, Jer. 11: 20, 17 :10, 20:12, Hd. 1: 24, Op. 2 : 23, en de liefde van den ganschen mensch vraagt, met heel zijn verstand, met zijne gansche ziel en al zijne krachten, Deut. 6:5, 10:12, Spr. 3:5, Jer. 29:13, Mt. 22:37, heeft een welgevallen aan oprechtheid, Joz. 24 : 14, 1 Kon. 9 : 4, 1 Kron. 29 :17, Ps. 25 : 21, 139 : 23, 24. De bekeering is een zaak van het hart, Jer. 3:10, Luk. 1:17, Hd. 16 :14, Rom. 2 : 29, 10 :10. Terwijl het volk, dat Hem eert met de lippen, maar het hart verre van Hem houdt, Jes. 29:13, Mt. 15 : 8, dat Heere, Heere zegt maar zijn wil niet doet, Mt. 7 :21, zijn toorn opwekt, schept Hij een welgevallen aan hen, die van een verbrijzelden en nederigen geest zijn, Ps. 51:19, 138:6, Jes. 57:15, Jak. 4 : 6, 1 Petr. 5 : 5.

In dit voetspoor wandelde ook steeds de kerkelijke theologie,

') Verg. Lechler, Gesch. d. engl. Deismus 1841 bl. 42, 47. Anderen kwamen •ook op dit punt tegen hem op, Walch, Bibl. theol. sel. I 782 v. M. Yitringa, Doctr. III 100.

Sluiten