Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

karakter; er is berouw, dat niet veel meer dan spijt is, dat wel vreest voor de gevolgen der zonde, maar niet de zonde zelve als zonde betreurt; het waarachtige berouw, de resipiscentia, komt naar het getuigenis der Schrift niet op uit den natuurlijken mensch, maar uit het nieuwe leven, dat door de wedergeboorte in zijn hart werd geplant; 2° dit echte berouw draagt nooit, zooals Moberly in overeenstemming met Kant schijnt te meenen, een verzoenend karakter; al is het ook dat de mensch in het berouw het recht Gods en de strafwaardigheid der zoude erkent, hij neemt daarin toch niet de straf der zonde zelve op zich en verzoent dies ook daardoor de zonde niet; het echte berouw komt noch objectief noch subjectief (psychologisch, voor het eigen bewustzijn) als een strafdragen voor de zonde in aanmerking, maar is enkel en alleen het middel, waarvan God zich bedient, om den zondaar van de zonde vrij te maken; en 3°, dat de resipiscentia (met het geloof) daartoe dient en dienen kan, is uitsluitend aan Christus te danken, die Gode gehoorzaam is geweest tot den dood des kruises toe en daarom voor Hem het recht verwierf, om den mensch beide van de schuld en van de smet en macht der zonde te verlossen; het eerste doet Hij in de rechtvaardigmaking en het tweede in de wedergeboorte (bekeering, heiligmaking). Daarom komt de waarachtige bekeering, de ware droefheid over de zonde en de oprechte terugkeer tot God en zijn dienst, volstrekt niet alleen door de wet, maar evenzeer en in nog sterker mate door het Evangelie tot stand. Uit de wet is zeer zeker de kennis der zonde, inzoover als alle zonde in de wet haar maatstaf heeft en dus dvo^ua is; maar dat de mensch de zonde zóó in haar waren aard leert zien en erkennen, dat is aan het Evangelie te danken en als eene vrucht des geloofs te beschouwen. Wet en Evangelie werken dus in de bekeering des menschen saam; de wet wijst paedagogisch naar Christus heen, maar het Evangelie werpt zijn licht ook op de wet terug ■).

465. Wijl de bekeering alzoo eene zaak is van het hart, werd de Roomsche attritio door de Hervormers, en later ook door Jansenius en Quesnel, als onvoldoende verworpen. Er kan natuurlijk wel allerlei schrik en angst aan de eigenlijke bekeering voorafgaan,

') Verg. reeds vroeger deel III 590 v. 597 v., en verdere litteratuur bij M. Vitringa, Doctr. III 111 v.

Sluiten