Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den zondaar ad Dei gratiam in sacramento poenitentiae impetrandam disponit 1).

In weerwil van deze Trentsche uitspraak trachtten velen zich nog min of meer op het onde contritionistische standpunt te handhaven (Pallavicini, Lupus, Billuart, von Schazler e. a.), en de noodzakelijkheid te bepleiten, dat er met de attntio althans een actus caritatis verbonden moest zijn. Maar het attritionisme, dat de vrees voor de helsche, of ook zelfs voor de tijdelijke straffen voor de ontvangst van de absolutie in het sacrament voldoende achtte,, kreeg de overhand; het beroemde decreet van paus Alexander VII van 5 Mei 1667 verbood de scherp tegenover elkaar staande partijen, elkander te verketteren, maar liet voorts de quaestie onbeslist, en dit is zoo gebleven tot op den huidigen dag2). Voor de leer en de practijk der Roomsche boete is dit alles van eene merkwaardige beteekenis. Want welke en hoedanige vrees is nu volgens Rome voor het ontvangen van het sacrament en van de daarin geschonken absolutie voldoende? Is de timor serviliter servilis (de dubbel slaafsche vrees,) de vrees voor de straf, afgezien van de schuld, reeds genoegzaam, of is de timor simplicitur servilis vereischt? Sluit deze, zoo niet formeel dan toch virtueel de amor benevolentiae seu amicitiae, of althans de amor concupiscentiae in? De theologen houden zich lang en breed met deze onderscheidingen bezig en de Roomsche kerk laat den biechtvader en den biechteling, die doordenken, ten aanzien van deze ernstige vragen in het onzekere; zoo kan men begrijpen, wat er in de practijk bij het .volk van zulk eene attritio wordt! Trente moge zich dan ook ten bewijze voor hare leer over de attritio op het voorbeeld der Ninevieten beroepen en de theologen mogen hier enkele andere Schriftplaatsen zooals Ex. 20 : 20, Ps. 119 :120, Mt. 5 : 20, 10 : 28, Luk. 3 : 7, 13:3, Joh. 5 :14 enz. aan toevoegen; het casuistische onderzoek, met hoe weinig een mensch volstaan kan, om toch nog de absolutie deelachtig te worden, is met den geest van het Evangelie in lijnrechten strijd3).

Dit is in niet mindere mate met de biecht het geval. Volgens het vierde Lateraanconcilie 1215] is ieder geloovige, zoowel vrouw als man, zoodra hij tot jaren des onderscheids (dat is in

2) Oswald, Die dogm. Lehre v. d. h. Sakramenten- II 71 v. G. Pesch, Prael. dogm. VIP 61 v. Simar, Dogm'. 1893 bl. 763 v. Pohle, Dogm. III4 bl. 466 v.

*) Protestantsche litteratuur, waarin de Roomsche leer van de attritio weerlegd

wordt, is te vinden bij M. Vitringa, Doctr. III 124, 125.

Sluiten