Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of ook met de vergeving toch eene straf op te leggen ter verzoening van de goddelijke gerechtigheid (poena vindicativa) en ter verhoeding van terugval in de zonde (poena medicinalis). In beide gevallen is echter de rechter, dat is de priester, verplicht, om nauwkeurig van het getal, den aard en de omstandigheden der zonden zich op de hoogte te stellen; en dat kan hij alleen doen door de biecht, door de oprechte en volledige bekentenis van den geloovige. De biecht is dus bij Rome de consequentie van het rechterlijk karakter der kerkelijke zondenvergeving, gelijk dit rechterlijk karakter der kerkelijke zondenvergeving „gewissermassen der Angelpunkt der ganzen katholischen Anschauung vom Busssakrament" is !)Lettende op het practische nut, dat de biecht soms draagt, kan men begrijpen, dat de Luthersche kerk in sommige landen ze nog een tijd lang behouden wilde 2), dat sommige Protestanten haar herstel wenschen of althans er iets voor in de plaats begeeren 3); maar wie het verband van de biecht met de vervalsching van het Evangelie, van de genade der vergeving en van het ambt en de macht der kerk doorziet, verlangt ze nimmer terug. In Mt. 16:19 18:18 en Joh. 20:23 is wel sprake van de macht, door Christus aan zijne apostelen geschonken, om door het al of niet vergeven der zonden het koninkrijk der hemelen te openen of te sluiten. Maar deze macht is toch geene andere, dan dat de apostelen, thans toegerust met het woord van Christus en de gave des H. Geestes, het recht en de bevoegdheid ontvangen, om in hunne mondelinge en schriftelijke prediking den weg aan te wijzen, waarin de weldaad van de vergeving der zonde verkregen kan worden, en om dienovereenkomstig de verhouding te bepalen, waarin iemand tot het koninkrijk der hemelen staat »). Geheel ten onrechte maakt Rome daarvan eene rechterlijke macht, welke aan de bisschoppen en missione episcoporum aan de priesters geschonken is; door hen, niet in de prediking of in den doop, maar in het sacrament der boete uitgeoefend wordt; over alle geloovigen en over al hunne zonden zich uitbreidt, en een absoluut karakter draagt. Het voordeel, dat overigens aan de oorbiecht verbonden kan zijn, wordt

') Scheeben-Atzberr/er, Dogm. IV 3 bl. 681 bij Pohle, Dogm. III* bi. 416. -) J. T. Muller, Die symb. Bücher der ev. luth. Kirche5 bl. 41, 164, 321, 363, 773. Gerhard, Loei Theol. XV 98 v. Quenstedt, Theol. III 598 v. Art. Beichté van Gaspari in PRE3 II 336 v.

') Caspari, t. a. p. bl. 540 v. Verg. ook Prof. K. Lake, Theol. Tijdschr. 1910, afl. VI bl. 528 v.

Sluiten