Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met den prijs der vele ernstige nadeelen veel te duur betaald. Want men vergete niet, dat diezelfde oorbiecht medebrengt eenongeoorloofden dwang over de zielen der menschen, eene pijniging van de gewetens aan de ééne en eene verzwakking van de persoonlijke verantwoordelijkheid aan de andere zijde, eene atomistische indeeling en casuistische taxatie van de zonden en van de straffen, die daaraan beantwoorden, eene lichtvaardigheid en oppervlakkigheid des oordeels, welke alleen reeds door de sleur der practijk in het afleggen der biecht en in het uitdeelen der absolutie inkomen moet -en het zedelijk besef ondermijnt. Wat kan een beperkt en feilbaar mensch ook oordeelen over de diepste roerselen van het hart van zijn broeder, en hoe kan deze ooit op zulk een oppervlakkig en onzeker oordeel zijn vertrouwen stellen voor de eeuwigheid. Als de Roomsche kerk1 hare bisschoppen en priesters tot zulke iudices maakt, matigt zij zich een recht en eene macht aan, welke uit den aard der zaak alleen aan God als den onfeilbaren kenner der harten kunnen toekomen. Wie kan de zonden vergeven, dan God alleen? Jes. 43:25, Mk. 2 : 7 1).

466. Daarbij komt nog, dat de priester, wijl de contntio perfecta gewoonlijk ontbreekt, en er slechts eene attritio aanwezig is, in den regel de absolutie alleen uitdeelen mag met oplegging van een bepaald aantal te volbrengen goede werken. Rome beweert n.1., dat de vergeving van de schuld der zonden en de kwijtschelding der eeuwige straf niet uitsluit, dat de mensch hier op aarde nog allerlei tijdelijke staffen heeft te dragen, en zij beroept zich daarvoor op de voorbeelden van Adam en Eva, Gen. 3:17 v., Mirjam, Num. 12: 14, Mozes en Aaron, Num. 20: 12, 27 : 13, 14, Deut. 34. 4, David, 2 Sam. 12 :13, 14, de geloovigen in Corinthe, 1 Cor. 11: 30 die in weerwil van de ontvangen vergeving, toch nog aan allerlei straf onderworpen werden*). Deze feiten zijn onwedersprekelijk en kunnen vermeerderd worden met vele andere uit Schrift en geschiedenis, welke aanwijzen, dat de geloovigen, ook al deelen zij in de weldaden van het verbond der genade, aan het lijden van den tegenwoordigen tijd onderworpen blijven, de gevolgen van hunne in vroeger tijd bedreven zonde moeten dragen, en om

i) Verg. Calvijn, Inst. III 4, 4-24, en verdere litteratuur bij M. Vitringa, Doctr. III 126 v.

') Conc. Trid. sess. XIV c. 12-15, cf. VI can. 30.

Sluiten