Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aanwijzen, die haar van de vergefelijke zonde scheidt; de boetedoeningen en de bij de aflaten voorgeschreven goede werken bevrijden wel van de tijdelijke straffen, maar toch alleen, wanneer zij aan den eisch van Gods gerechtigheid voldoen en met absolute juistheid volbracht worden; wijl de priester geen supremus dominus sed inferior judex is, weet hij dus nooit zeker, of de opgelegde straf misschien niet minder is, dan Gods gerechtigheid vordert, en derhalve: quanta poena remittatur per satisfactionem, solus Deus scit !).

Heel dit boetestelsel werd daarom door de Reformatie, als ten eenenmale met den geest van het Evangelie in strijd, verworpen. "Wel is waar hield Luther den naam van sacrament nog aan en sprak hij herhaaldelijk van het sacrament der boete 2), en ook de Luthersche belijdenisschriften verklaarden, dat absolutio proprie dici potest sacramentum poenitentiae 3). Terwille van de individueele toepassing der absolutie en van de daardoor versterkte geloofszekerheid — praecipue propter absolutionem — waren de Lutherschen in den eersten tijd zelfs op handhaving der biecht gesteld *). Maar het ademde toch alles een anderen geest. De biechteling behoefde niet alle zonden te noemen, en de geestelijke behoefde ze niet alle te kennen; belijdenis der zonden was wel noodig, maar kon ook aan een der broederen geschieden; de absolutie (of vergeving der zonden) was geene andere, dan die ieder door het geloof aan het Evangelie verkrijgen, en elke broeder der gemeente tot troost aan den boetvaardige aanzeggen en beloven kon; al werd dus de naam van sacrament behouden, zakelijk was de boete in het geheel geen sacrament meer, maar werd ze niet anders dan eene bijzondere wijze, waarop het Evangelie als middel der genade aan-

J) Pesch, Prael. dogm. VII 109. Bij de aflaten voor de gestorvenen kan de kerk niet onmiddellijk kwijtschelding verleenen, omdat zij geen rechtsmacht heeft over de zielen in het vagevuur. Doch zij biedt hare schatten God aan met de bede, dat Hij om de voldoening van Christus en de heiligen die zielen geheel of gedeeltelijk van hare straf bevrijde. Maar men lette er wel op: het is "niet onfeilbaar zeker, dat God die bede inwilligt, J. F. de Groot, Handleiding bij het Kath. godsdienstonderwijs. Amsterdam 1906 bl. 194. Verg. over deze onzekerheid in het Koomsche boetestelsel ook Calvijn, Inst. III 4, 17. 22, en voorts over en tegen de leer van de satisfactiones en indulgentiae de litteratuur bij M. Vitringa, Doctr. III 138—152.

-) Loofs, Dogmengeschichte4 bl. 731, 734.

") J. T. Muller, Die symb. Bücher der ev. luth. Kirche® bl. 41, 173, 202.

4) Verg. boven bl. 173.

Sluiten