Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gewend werd *). De gansche sleutelmacht der kerk bestond toch alleen in de bediening van het woord Gods; ze was geene facultas, ab Evangelii praedicatione separata 2), maar viel daarmede samen; als wij op de menschen zien, die dat Evangelie verkondigen, is zij geene potestas maar een ministerium, want Christus gaf eigenlijk die macht niet aan menschen, maar aan zijn woord, cujus homines ministros fecit 3). Dat woord kan ambtelijk bediend worden in de openbare prediking, in de uitdeeling der sacramenten, in de oefening der tucht, in catechisatie en huisbezoek, door onderwijs en opvoeding, in toespraak en gebed. Langs al die wegen arbeidt God aan de zielen der menschen, tot bekeering, onderrichting, vermaning, vertroosting enz. Daarom is de bekeering met de conversio actualis prima niet afgeloopen, maar zet zij zich daarna in de conversio quotidiana voort; op de poenitentia catechumenorum volgt de poenitentia fidelium, want Christus wilde, volgens Luther in zijne 95 theses, dat het gansche leven van den Christen boete zou zijn. Wijl de geloovigen tot aan het einde van hun leven onvolmaakt blijven en hunne verlossing niet eerder voltooid is, dan wanneer zij geheel en al naar het evenbeeld van Christus vernieuwd zijn, hebben zij bij den voortduur tegen de zonde te strijden en zich te oefenen in het geloof. Hunne herstelling wordt niet in één oogenbük, of in één dag of jaar volbracht, maar God doet de verdorvenheid des vleesches in zijne uitverkorenen door altijd voortgaande, langzame vorderingen teniet; Hij heiligt hen zich tot tempelen, hunne zinnen vernieuwende tot waarachtige reinheid, opdat zij zichzelven heel hun leven in boetvaardigheid oefenen, en weten, dat er aan dezen krijgsdienst geen einde komt dan in den dood. De loopbaan der boetvaardigheid (poenitentia), welke God hun -aanwijst, strekt zich over het gansche leven uit 4).

De bekeering kreeg daarom in de Reformatie, en vooral weder bij Calvijn 6), eene diepe, ethische beteekenis. De prikkel tot een heilig leven ligt bij den Roomschen Christen in de satisfactiones, resp. in de merita der goede werken. Maar op Protestantsch standpunt kon hiervan geene sprake meer zijn, want Christus had alles volbracht en alle zonden verzoend, Rom. 3 : 25, Hebr. 10 :14, 1 Petr.

') Gerhard, Loei Theol. XV 19 v. Quenstedt, Theol. III 587 v.

2) Calvijn, Inst. III 4, 14.

3) Calvijn, Inst. IV 11, 1.

*) Calvijn, Inst. III 3, 9.

5) Verg. deel III 599.

Sluiten