Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2-24 1 Joh. 1:7, 2:1, en God rekende om zijnentwil, dus uit genade, hun 'de zonden niet toe, 2 Cor. 5:19. De vergeving der zonden, van hare schuld en van hare straf, was derhalve eene weldaad der genade, eene gave van Gods groote barmhartigheid,, die nooit, noch in den aanvang noch ook bij den voortgang, door 's menschen goede werken verdiend kan worden. Evenals alle weldaden des heils ligt de vergeving der zonden objectief in Christus volkomen voor de zijnen gereed; in dien objectieven zin gaat zij zelfs aan het geloof en de bekeering vooraf, al is het ook, dat zij alleen door het geloof aangenomen en in den weg der bekeering toegeëigend en genoten kan worden 1). De goede werken zijn dus geene oorzaak, maar vrucht van de vergeving der zonden, en de poenitentia is geene secunda post naufragium tabula, maar een reditus ad baptismum, eene persoonlijke, zelfstandige en dan door heel het leven heen zich voortzettende toeëigening van de schatten der genade, welke in Christus aanwezig zijn, eene voortgaande afsterving van den ouden en opstanding van den nieuwen mensch.

Zoo alleen behoudt Christus zijne eere, maar zoo ook alleen krijgt, de conscientie vrede en rust z). "Want als wij door onze contritio, confessio en satisfactio Gods gunst moeten verwerven, blijven wij voortdurend in angst en vreeze, of wij in al deze stukken wel hebben gedaan, wat wij moesten doen, en komt het aan een volbrengen van goede werken uit kinderlijke liefde en gehoorzaamheid niet toe. Maar als wij vooraf door het geloof van de vergeving onzer zonden verzekerd zijn, zijn wij ook van harte gezind, om als kinderen naar alle Gods geboden te wandelen. En daarin komt dan de echtheid van ons geloof en onze bekeering uit. Want de vruchten der ware bekeering zijn officia pietatis erga Deum, caritatis erga homines, adhaec in tota vita sanctimonia ac puritas. En hoe naarstiger iemand zijn leven leidt naar de norma van Gods wet, des te zekerder blijken geeft hij van zijne waarachtige bekeering 3). Zoo bestaat dan de eerste en de voortgaande bekeermg niet uitsluitend en zelfs niet voornamelijk in smartelijke aandoeningen des gemoeds, maar, al zijn deze in mindere of meerdere mate met uitgesloten, toch vooral in den ernstigen en beslisten wil, om te

1) M. Vitringa, Doctr. III 100. Verg. het volgende hoofdstuk over de rechtvaardigmaking. •

2) Calvijn, Inst. III 4, 27, cf. 4, 2.

•) Calvijn, Inst. III 3, 16.

Sluiten