Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

noemd door 0. Ritschl, Der doppelte Rechtfertigungsbegriff in der Apologie der Augsb. Konfession, ib. 1910 bl. 292—338. Walther, Das Erbe der Reformation im Kampfe der Gegenwart. Zweites Heft. Rechtfertigung oder religiöses Erlebnis. Leipzig 1904. Lüttge, Die Rechtfertigungslebre Calvins und ihre Bedeutung für die Frömmigkeit. Berlin 1909. Leïïevre, La doctrine de la justiftcation par la foi dans la théologie de Calvin, Revue Chrét. Oct. 1909. M. Vitringa, Doctr. III 253v. James Buchanan, The doctrine of justiiication. Edinburgh 1867. Tl'. Cunnigham, Historical Theology. Edinburgh 1864 II 1—120. Schneckenburger, Yergl. Darst. d. luth. u. ref. Lehrbegriffs 1855. Ritschl. Rechtf. u. Vers2. 1883. Ihmels, art. in P. R. E.3 XVI 482—515.

%

467. "Wedergeboorte, geloof en bekeering staan tot de volgende weldaden van het genadeverbond in eene conditioneele verhouding; ze zijn de eenige weg, waarin vergeving der zonde en kindschap Gods, vrede en vreugde, heiligmaking en heerlijkmaking door den mensch ontvangen en genoten kunnen worden. Van al deze weldaden komt weder aan de rechtvaardigmaking de eerste plaats toe, want daaronder wordt die genadige en tevens rechterlijke daad Gods verstaan, waardoor Hij den mensch van alle schuld en straf der zonde vrijspreekt en hem het recht geeft op het eeuwige leven. Er kan toch van geene rust der conscientie, van geen vrede des gemoeds, van geen vreugde en blijdschap der ziel, van geen blijmoedigen zedelijken arbeid, van geen zalig leven en sterven sprake zijn, voordat de schuld der zonde is weggenomen, alle angst voor straf ten eenenmale is uitgeroeid, en de zekerheid van een eeuwig leven in Gods gemeenschap het bewustzijn met haar troost en sterkte vervult. Maar deze weldaad van de volkomene vergeving der zonde is zoo groot, dat het natuurlijk verstand des menschen haar niet vatten en gelooven kan. De Heidenen stelden zich de goden menschelijk voor, rustten ze toe met allerlei hartstochten van jaloerschheid, nijd en wraak, en konden zich daarom niet opheffen tot de gedachte ,eener vrije en genadige vergeving; als de goden beleedigd en vertoornd waren, moesten ze door menschelijke gaven en gebeden weder verzoend worden; Celsus spotte er mede en achtte ze eene dwaasheid1). En toch getuigt deze gedachte van meer ernst en waarheid dan de oppervlakkige meening, dat, zooals het zondigen voor den mensch, zoo het vergeven voor God vanzelf spreekt2); wie zichzelven kent, weet hoe ontzaglijk moeilijk waar-

*) Verg. Witsius, de theol. gentilium circa justificationem, Misc. Sacra II668 — 721. -) W enn die Siinde zum Menschen gehort, dann gehort das Verzeihen zu Gott, zegt Wernle, aangehaald bij Walther, Rechtfertigung oder relig. Erlebnis bl. 33.

Sluiten