Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit gedachten, woorden en daden, die door hen in een vorig leven bedreven waren en bepaalde eigenschappen en hebbelijkheden in hunne ziel hadden ingedrukt. En zoo besliste het tegenwoordig leven ook over het lot in de toekomst; wie goede werken doet, wordt herboren in oorden van zaligheid, wie een slecht leven leidt, vervalt tot een lagen staat en ontvangt de gedaante van een dier of van een of ander ellendig wezen. Zooals in de natuur de wet der zwaartekracht heerscht, zoo heerscht in de zedelijke wereld de onverbreekbare wet van het karma; er is geene vergeving," maar alleen vergelding 1). Onder den invloed van deze Indische wereldbeschouwing, gepaard met dien van de door de natuurwetenschap allerwege geconstateerde causaliteitswet redeneeren vele Westerlingen tegenwoordig op dezelfde wijze: overal heerscht de wet van oorzaak en gevolg, in de physische en niet minder in de psychische en ethische wereld; men moge over eene of andere zondige daad later berouw hebben, daarmede verandert er niets in hare uitwerkselen en gevolgen; men moet deze toch dragen en tot in de eeuwigheid toe; de gedachte van eene eeuwige straf is niets vreemds, maar volkomen natuurlijk; wat geschied is, kan nooit ongedaan worden gemaakt; de natuur kent geene vergeving en houdt met verootmoediging en schuldbelijdenis niet de minste rekening; vergeving is physically impossible2).

In de Schriften van Oud en Nieuw Testament treffen wij echter oen anderen kring van gedachten. Reeds dit is van beteekenis, dat het verbond Gods met Israël niet op de natuur, noch op 's volks verdienste, maar op eene genadige beschikking Gods, en dies op eene historische daad berust. Voorts opende de wet, die het verbond der genade onderstelde, in de zond- en schuldoffers wel een weg tot verzoening van zulke zonden, die „door afdwaling" geschied waren, Lev. 4: 2v., maar zij sprak de straf der uitroeiing uit over alle zonden, die „met opgeheven hand" bedreven werden, Num. 15: 30. Aan dezen regel des verbonds hield Israël zich echter niet; het maakte zich in het vervolg van tijd ook meermalen aan zulke zonden als afgoderij, beeldendienst, sabbatsontheiliging enz. schuldig, welke het verbond zelf verbraken en dus ook in de offers des ver-

') J. S. Speyer, De Indische Theosophie en hare beteekenis voor ons. Leiden, Doesburgh 1910 bl. 83 v.

2) Bij Rev. C. T. Ovenden, The forgiveness of sin, Hibbert Journal, April 1907 bl. 589.

Sluiten