Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bonds geene verzoening konden vinden. De profetie kondigde toen in 's Heeren naam aan het ontrouwe en afvallige volk den dag des oordeels en de straf der ballingschap aan. Die straf is noodig, juist omdat Israël des Heeren volk is, Am. 3 : 2, maar bereidt dan ook de verlossing voor. God kan toch zijn volk niet loslaten, Hij kan zijn Israël niet vergeten, Hos. .11: 8; Hij zal verhoogd worden door het recht, en geheiligd worden door gerechtigheid, Jes. 5: 16. Een deel blijft behouden; eene rest bekeert zich, Jes. 4:3, 6:13, 7:3 enz., de rechtvaardige zal gewisselijk leven, Ezech. 18: 9, hij zal door zijn geloof leven, Hab. 2 : 4, cf. Jes. 7 : 9, 28 : 16, 30 :15. Zelfs als Israël zich niet bekeeren kan en zich niet te schamen weet, Jer. 6:15, 13:23, God blijft aan zijn verbond getrouw, en zal uit genade aan zijn volk al die weldaden schenken, welke het ten eenenmale verbeurd heeft en zelf door geenerlei verdiensten verwerven kan. Hij zal een nieuw verbond met hen maken, alle zonden hun vergeven, hun een nieuw hart en een nieuwen geest schenken, en hen in zijne inzettingen doen wandelen, Jer. 24: 7, 31: 31v.f 32 : 37v., Ezech. 11 :19v., 36 : 24v. Daarin bestaat volgens de profeten, inzonderheid Jesaja, juist de gerechtigheid Gods, dat Hij zijn volk, hetwelk Hij uit genade verkoor, ook in de toekomst niet om zijner zonden wil verwerpt, maar door de straf en de ellende heen tot volkomene verlossing leidt. Hij kan zijn volk niet loslaten, omdat Hij er zijn eigen naam en eere aan verpand heeft. Door den Messias, die het recht den Heidenen zal voortbrengen, Jes. 42:1, zal Hij heil bereiden aan zijn volk. Zijne gerechtigheid is nabij, zijn heil zal niet vertoeven, Hij zal heil geven aan Sion en heerlijkheid aan Israël, Jes. 46 :13, 51: 5, 54 :17, 56 : 1, 60 :1, 2, 61:11. Uit Hem is dus hunne gerechtigheid, Jes. 54 :17, in Hem zijn gerechtigheden en sterkte, 45:24, Hij is de Heere hunne gerechtigheid, Jer. 23 : 6, 33 :16 1).

Onder al de geestelijke en stoffelijke weldaden, welke God nu krachtens deze gerechtigheid in de toekomst aan zijn volk zal schenken, neemt nu de vergeving der zonden eene voorname plaats in. Zij werd door God ook reeds in de dagen des Ouden Yerbonds uitgedeeld en door de vromen genoten, Ex. 34: 7, 9, Num. 14: 18—20, 1 Sam. 15 : 28, 1 Kon. 8 : 30v., Ps. 25 :11, 32 :1, 2, 5, 51: 3v., 103 : 3, 130 : 4, 143 : 2, Jes. 6 : 7, Mich. 7 :18, Dan. 9 :19 2),

J) Verg. deel II 222 v. III 557 v.

2) Uit bet woord naQtdig in Rom. 3 : 25 leidde Coccejus, More Nebochim § 18 v. (Op. IX 123), de foedere § 339 af, dat de vergeving der zonden eene weldaad

Sluiten