Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar komt toch vooral, evenals bekeering, vernieuwing des harten, Geestesmededeeling, de belofte, dat zij zijn volk zullen zijn, als een goed van het toekomstige nieuwe verbond voor. Het Oude Testament duidt deze weldaad met verschillende namen en beelden aan, zooals N-i:, opheffen, aannemen, vergeven, 1 Sam. 15: 25, Job 7 r 21, Ps. 32:1, 85:3, Jes. 33:24; nbo, vergeven, Ex. 34:9, Lev_ 4:20, Ps. 25:11, 103:3; "Dr, overschrijden, doortrekken, hi. laten voorbijgaan, wegnemen, 2 Sam. 12:13, 24:10, Job 7:21; oas, vertreden, onderwerpen, terneder werpen, Mich. 7 :19; ticD, verbergen, pi. bedekken, Ps. 32:1, 85:3, Spr. 10:12; >*ยป pi. bedekken, verzoenen, Lev. 16 :17 enz. en vandaar ook vergeven, Ps. 65 : 4 78 :. 38, 79:9, Jes. 6: <, Jer. 18:23, Dan. 9:24; !-tnn, af-, uitwisschenv uitdelgen, Ps. 51: 3, Jes. 43 : 25, 44 : 22, Jer. 18 : 23; irrj, rein zijn, pi. reinigen, van zonde vrijspreken, en oan, wasschen, reinigen,. Ps. 51:4; -no, wijken, ophouden, Jes. 6:7; en voorts nog uitdrukkingen als: niet zien, JSTum. 23:21, niet toerekenen, Ps. 32:2, niet in het gericht gaan, Ps. 143: 2, niet gedenken, Jes. 43 :25, het aangezicht verbergen, Ps. 51:11, achter den rug werpen, Jes. 38:17, in de diepten der zee werpen, Mich. 7 :19. Daarbij is het altijd God, die de vergeving schenkt, Jes. 43 : 25, 45 : 21โ€”25, 48 : 9โ€”12in de vergeving van de ongerechtigheid zijns volks komt zijne Goddelijke natuur aan het licht, Mich. 7 :18. Want Hij vergeeft alleen om zijns naams wil, Ps. 25 :11, 79 : 9, Jes. 43 :25, Ezech. 36:11; Hij doet het uit loutere barmhartigheid, Ps. 78:38, om den wille van zijn verbond met Abraham en David, om des eeds wil, dien Hij aan hen gezworen heeft, Ps. 89: 4v.. 105:8, 9, 111 r 5, Jer. 11:5, Ezech. 16 :60, Mich. 7 :20, om zijn roem en eere onder de Heidenen, Ex. 32 : 12, Num. 14 : 13, 16, Deut. 9:28, 32:27, Ezech. 36:23.

was van het Nieuwe Testament, en zijn gevoelen werd door vele anderen, Burmannus, Allinga, Braun, Wittichius enz. overgenomen. Maar ofschoon de zonden, der O. T. vromen inzoover ^voorbijgegaan" kannen heeten, als Christus nog niet verschenen en tot een verzoening gesteld was, kon toch de vergeving der zonden zeer goed, met het oog op die toekomstige zoenofferande, door God ook reeds tevoren aan de geloovigen des O. T. geschonken worden. En dat dit inderdaad het geval was, blijkt behalve uit bovengenoemde getuigenissen des O. T., even duidelijk uit hetgeen Paulus zelf in Rom. 4 over Abraham en David leert en voorts uit Hd. 10: 43, 15:11, Rom. 3 : 21 enz. Verg. reeds deel III 218 v 233 v. en voorts over den strijd tegen Coccejus, M. Vitringa, Doctr. VI 218 โ€” 23} De Moor, Comm. IV 590 v.

Sluiten